ECLI:NL:HR:2013:BY0548

HR (Belastingkamer) 15 maart 2013
(ECLI:NL:HR:2013:BY0548)

Essentie
Het aangaan van een geregistreerd partnerschap voor één dag kan fraus legis zijn.

Rechtsregel
Indien een geregistreerd partnerschap voor de duur van één dag wordt aangegaan met als enige motief om overdrachtsbelasting te ontgaan, dan is art. 3 lid 1 sub b WBR jo. art. 6 AWR niet van toepassing op de verdeling van de gemeenschap. De uitzondering voor verkrijging van een onroerende zaak krachtens verdeling van een gemeenschap van goederen op grond van huwelijk of geregistreerd partnerschap, strekt er niet toe om de mogelijkheid te bieden de ter zake van die verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen. Daarom verzetten het doel en de strekking van de wet zich tegen toepassing van de vrijstelling in een geval waarin een geregistreerd partnerschap naar de bedoeling van partijen is aangegaan voor een zo korte periode dat de door de wet aan dit partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben. Een partnerschapsgemeenschap kan in zo’n geval niet als serieus worden aangemerkt.

Inhoud arrest
Belanghebbende en X waren ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van tien onroerende zaken. Ingevolge art. 2 lid 1 WBR wordt overdrachtsbelasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken. Volgens art. 3 lid 1 sub b WBR jo. art. 2 lid 6 AWR wordt verdeling van een partnerschapsgemeenschap echter niet als een verkrijging aangemerkt als bedoeld in het voorgenoemde artikel, waardoor er in dat geval geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. Om overdrachtsbelasting te ontgaan zijn belanghebbende en X daarom op 23 december 2003 een geregistreerd partnerschap aangegaan met een gemeenschap die uitsluitend bestond uit de betreffende tien onroerende zaken. Op 24 december 2003 werd het geregistreerd partnerschap ontbonden en een paar dagen later werden de gezamenlijke onroerende zaken overeenkomstig de vooraf gemaakte afspraken tussen belanghebbende en X verdeeld (belanghebbende heeft de volle eigendom van zes onroerende zaken toebedeeld gekregen en X de volle eigendom van de andere vier onroerende zaken). Van belang is dat verijdeling van overdrachtsbelasting het enige motief was voor het aangaan van het geregistreerde partnerschap tussen belanghebbende en X.

De rechtsvraag die centraal staat is of art. 3 lid 1 sub b WBR jo. art. 2 lid 6 AWR onder deze omstandigheden van toepassing is, waardoor er geen overdrachtsbelasting kan worden geheven?

De Hoge Raad oordeelt dat de overdrachtsbelasting tot doel heeft om de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan dergelijke zaken zijn onderworpen te belasten. De uitzondering voor verkrijging van een onroerende zaak krachtens verdeling van een gemeenschap van goederen op grond van huwelijk of geregistreerd partnerschap, strekt er niet toe om de mogelijkheid te bieden de ter zake van die verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen. Daarom verzetten het doel en de strekking van de wet zich tegen toepassing van de vrijstelling in een geval als het onderhavige, waarin een geregistreerd partnerschap naar de bedoeling van partijen is aangegaan voor een zo korte periode dat de door de wet aan dit partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben. Onjuist is de kennelijke opvatting dat het achterwege blijven van een wettelijke regeling tegen kenbare constructies in de weg staat aan bestrijding daarvan met een beroep op het leerstuk van wetsontduiking.