ECLI:NL:HR:2013:911 (Uiterste wilsbeschikking)

Uiterste wilsbeschikking, HR 11 oktober 2013
(ECLI:NL:HR:2013:911)

Essentie
Ook als een uiterste wilsbeschikking op het eerste gezicht duidelijk is, dient ex art. 4:46 lid 1 BW te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Rechtsregel
Bij de uitlegging van een uiterste wil geldt ingevolge art. 4:46 BW niet als maatstaf de zuiver grammaticale methode, waarbij uitsluitend wordt nagegaan welke betekenis de in de uiterste wil opgenomen bewoordingen op zichzelf genomen hebben, doch dient steeds rekening te worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en met de omstandigheden waaronder deze is verleden.

Inhoud arrest
Het gaat in deze zaak om de uitleg van een testament. Erflaatster heeft haar broer in het testament als enig erfgenaam aangewezen. Zij was destijds niet gehuwd, had geen kinderen, had geen andere broers of zusters en haar beide ouders waren nog in leven. Jaren later is erflaatster gehuwd in gemeenschap van goederen met verweerder. Eiser vordert in dit geding onder verwijzing naar het testament van zijn zus verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser aan het testament, dat aan de hand van de maatstaf van art. 4:46 BW moet worden uitgelegd, geen rechten kan ontlenen. Hij betoogt dat het destijds de bedoeling van erflaatster was om met de aanwijzing van eiser als enig erfgenaam haar ouders te onterven, dat de omstandigheden ten tijde van haar overlijden inmiddels fundamenteel waren gewijzigd, dat zij ruim elf jaar met verweerder was gehuwd, dat die situatie erflaatster niet voor ogen heeft gestaan toen zij haar testament maakte doch dat het testament uitsluitend was bedoeld voor de situatie waarin zij niet gehuwd was en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het gehuwd zijn in gemeenschap van goederen meebracht dat de langstlevende alles zou verkrijgen.

De vraag die in deze zaak centraal staat, is hoe het testament dient te worden uitgelegd.

De Hoge Raad overweegt dat de uitspraak van het hof als volgt moet worden verstaan: Niet kan worden gezegd dat sprake is geweest van wilsontbreken van erflaatster bij de benoeming van eiser tot erfgenaam. Op grond van art. 4:46 BW dient bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wil duidelijk zijn, te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wil regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. In ieder geval heeft erflaatster haar ouders willen onterven. Gelet op het verweer van eiser en de bewoordingen van het partijdebat is er nog geen aanleiding om verweerder te volgen in zijn standpunt dat de erflaatster in het testament niet heeft beoogd om eiser te bevoordelen. Verweerder zal echter overeenkomstig zijn bewijsaanbod worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de erflaatster eiser uitsluitend tot erfgenaam heeft benoemd om haar ouders te onterven en bij gebreke van een alternatief. Deze wijze van onterving is in de notariële praktijk niet ongebruikelijk. Het testament dient dan ook zo te worden uitgelegd dat de benoeming van eiser tot erfgenaam alleen gold voor de situatie dat er geen alternatief bestond en dus zou vervallen in een situatie waarin wel sprake zou zijn van een zodanig alternatief. Nadien is alsnog een alternatief ontstaan door het huwelijk van de erflaatster met verweerder. Verweerder is derhalve geslaagd in de levering van het bewijs. Aldus verstaan geeft het oordeel van het hof geen blijk van miskenning van de maatstaf van art. 4:46 BW.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof daarbij uitsluitend omstandigheden ten tijde van het opmaken van het testament in aanmerking genomen en niet (tevens) omstandigheden die toen nog toekomstig waren.

Reacties

reacties