ECLI:NL:HR:2013:847 (Gelijkwaardig ouderschap II)

Gelijkwaardig ouderschap II, 4 oktober 2013, 
(ECLI:NL:HR:2013:847)

Essentie
Gelijkwaardig ouderschap betekent niet dat de ene ouder geen vervangende toestemming kan krijgen om met de kinderen naar het buitenland te verhuizen.

Rechtsregel
Op het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap kan een uitzondering worden gemaakt als dit in het belang is van het kind/de kinderen. Het uitgangspunt van het 50/50 verdelen van de omgang en de zorg- en opvoedingstaken maakt niet dat de rechter geen vervangende toestemming aan een van de ouders kan geven om met de kinderen naar het buitenland te verhuizen, zolang dit in het belang van het kind is. Wel moet de rechter dan regelen dat na de verhuizing zoveel mogelijk de zorg- en opvoedingstaken gelijk worden verdeeld over de ouders. Zo’n regeling moet in het ouderschapsplan worden opgenomen.

Ten aanzien van de ‘vergeten’ uitvoerbaar bij voorraad verklaring oordeelt de HR dat het vergeten hiervan niet noodzakelijkerwijs betekent dat sprake was van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv. Beslissend was of uit de beschikking direct duidelijk was dat het hof zich vergist had door de beschikking niet ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Inhoud arrest
De moeder komt uit Finland. Als de vader daar op vakantie is, leren ze elkaar kennen. In januari 1998 krijgen ze een relatie en de moeder emigreert naar Nederland. In 2003 en 2006 worden hun kinderen geboren. De vader heeft de kinderen erkend en ze hebben beiden het gezag over de kinderen. In januari 2011 gaan de vader en moeder uit elkaar.

De vader en de moeder proberen via mediation de zorg- en opvoedingstaken te verdelen. Dit lukt helaas niet. De vader verzoekt de rechtbank in een kort geding om een tijdelijke omgangsregeling vast te stellen. In het vonnis stelt de voorzieningenrechter een voorlopige omgangsregeling vast vanaf 20 mei 2011 tot 3 juli 2011.

De moeder dient op 18 mei 2011 een verzoekschrift in bij de rechtbank om vervangende toestemming om met de kinderen naar Finland te mogen verhuizen. De vader voert verweer.

Op 22 juni 2011 spant de vader opnieuw een kort geding aan. Dit omdat de omgang wel goed verloopt, maar de moeder niet wil meewerken aan een regeling voor de zomervakantie of omgang na 3 juli 2011. Bij vonnis in kort geding van 1 juli 2011 bepaalt de voorzieningenrechter dat de kinderen één weekend per 14 dagen in het weekend en op dinsdagmiddag bij de vader zijn. Ook blijven zij twee weken in de zomervakantie bij hem. In reconventie bepaalt de voorzieningenrechter dat de vader per kind alimentatie van € 500,- per maand aan de moeder moet betalen.

De vader en de moeder spreken onderling een omgangsregeling af voor wanneer het verzoek om te mogen verhuizen wordt afgewezen. De moeder verzoekt de rechtbank deze regeling te bekrachtigen als haar verzoek wordt afgewezen.

Bij beschikking van 28 september 2011 wijst de rechtbank het verzoek van de moeder om naar Finland te mogen verhuizen met de kinderen af. Verder bepaalt de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder, maar wel in Nederland. De rechtbank legt ook de afspraken over de omgang vast in de beschikking.

De moeder gaat in hoger beroep. De vader voert verweer. Bij beschikking van 28 juni 2012 vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en geeft de moeder vervangende toestemming om met de kinderen naar Finland te verhuizen en een omgangsregeling met de vader vastgesteld. Deze beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij herstelbeschikking van 9 juli 2012 heeft het hof de eerdere beschikking alsnog ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De moeder verhuist op 3 augustus 2012 met de kinderen naar Finland.

De vader gaat in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het beroep.