ECLI:NL:HR:2012:BV1749 (Verknochtheid schuld)

Verknochtheid, 30 maart 2012
(ECLI:NL:HR:2012:BV1749)

Essentie
Verdeling gemeenschap van goederen bij echtscheiding. Er moet gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval bij de vraag of een schuld verknocht is aan een van de echtgenoten en dus buiten de gemeenschap valt. Een bankkrediet kan naar zijn aard alleen niet worden aangemerkt als een verknochte schuld. Afwijking van de verdeling in gelijke helften kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen.

Rechtsregel
Verdeling van de gemeenschap van goederen. De vraag of een schuld, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94, tweede lid, van het BW, aan een van de echtgenoten is verknocht en dus niet in de gemeenschap valt, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de schuld.

Een bankkrediet zoals hier is geen verknochte schuld, ook niet als deze is aangegaan voor het huwelijk en als de andere echtgenoot niet weet waaraan het geld is besteed.

De ex-echtgenoten hebben een gelijk deel in de ontbonden gemeenschap, maar hierop kan een in zeer uitzonderlijke gevallen een uitzondering worden gemaakt. De HR volgt het hof niet in de stelling dat de vrouw niet voldoende heeft aangevoerd, omdat zij heeft aangevoerd dat zij maar kort hebben samengewoond, de schulden voor het huwelijk zijn aangegaan door de man, dat zij hier pas tijdens de echtscheidingsprocedure van af wist, dat het niet mogelijk is dat de bruiloft hiermee is betaald en dat het aannemelijk is dat de man, nu hij niet heeft uitgelegd wat met het geld is gebeurd, hiermee auto’s of onroerend goed in Marokko heeft gekocht. De HR verwijst de zaak naar het hof Amsterdam.

Inhoud arrest
De man en de vrouw zijn allebei in Nederland geboren en hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit. Ze trouwen op 17 april 2008 in Den Haag. Per 1 oktober 2008 gaan de man en de vrouw apart wonen en op 7 september 2009 zijn ze weer gescheiden. Ze hebben ook geen kinderen.

Door dit huwelijk hebben de man en de vrouw een algehele gemeenschap van goederen. In deze procedure verzoeken ze allebei om de gemeenschap te verdelen. Dit zijn voornamelijk de spullen in huis, maar volgens de man behoren tot de gemeenschap ook nog twee schulden: een kredietschuld bij ING en één bij ABN Amro.

De man verzoekt om de helft van deze twee schulden aan de vrouw toe te rekenen. De vrouw bestrijdt dit en stelt dat zij niets afwist van de schulden. De man betwist dit en stelt dat het geld is gebruikt voor gemeenschappelijke uitgaven, zoals de bruiloft. De vrouw ontkent dat en stelt dat de bruiloft uit de bruidsschat is betaald. Zij stelt ook dat de schulden aan de man verknocht zijn, nu deze lange tijd geleden zijn aangegaan en zijn gebruikt om in zijn behoeften te voorzien. Bovendien is er feitelijk geen gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Als de rechtbank van mening is dat de schulden niet verknocht zijn aan de man, dan brengt de redelijkheid en billijkheid mee dat deze toch volledig aan hem worden toebedeeld.

De rechtbank verwerpt in de tussenbeschikking van 7 september 2009 het beroep van de vrouw op verknochtheid en redelijkheid en billijkheid. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan hiervan sprake is. Zowel de man als de vrouw moet de helft van de schulden dragen.

In de eindbeslissing van 19 februari blijft de rechtbank bij het oordeel uit de tussenbeschikking over de schulden. De rechtbank stelt vast dat de schuld bij ING per 1 oktober 2008 € 7.777,04 en de schuld bij ABN Amro € 12.554,96 is en bepaalt dat de man deze schulden moet aflossen en de dat de vrouw daarna de helft aan hem moet terugbetalen.

De vrouw gaat in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat de aard van de schulden van de man aan ING en ABN Amro niet zodanig is dat deze naar maatschappelijke normen moet worden aangemerkt als een verknochte schuld. De man en de vrouw moeten allebei de helft van deze schulden betalen. De feiten die de vrouw heeft gesteld maken niet dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de schulden alleen door de man moeten worden betaald. Het hof bekrachtigt dus de beschikking van de rechtbank.

De vrouw gaat in cassatie. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.