ECLI:NL:HR:2011:BP3887 (De Gouden Kooi)

Hoge Raad,  25 maart 2011(De Gouden Kooi)
(ECLI:NL:HR:2011:BP3887)

Essentie
Arbeidsovereenkomst tussen deelnemer ‘De Gouden Kooi’ en Talpa. Alle elementen aanwezig.

Rechtsregel
Deelnemer aan realityprogramma ‘De Gouden Kooi’. De vraag is of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de deelnemer en de televisiezender.

Bij de vraag of iemand recht heeft op een WW-uitkering, moet onder meer worden onderzocht of iemand ‘in een privaatrechtelijke dienstbetrekking’ heeft gestaan. Hiervoor zijn de criteria voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst van artikel 7:610 BW van belang: een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en loon. Hierbij moet ook gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval, dus ook naar de uitvoering en niet alleen naar wat partijen hebben bedoeld of gewenst. In dit geval was sprake van een arbeidsovereenkomst nu Talpa de deelnemer instructies geeft, er sprake was van arbeid en de deelnemer betaald kreeg voor deelname. De WW-uitkering mocht dan ook niet worden geweigerd.

Inhoud arrest
In de periode 23 september 2006 tot en met 26 juli 2007 is ‘De Gouden Kooi’ op tv. Dit is een realityprogramma waarin de deelnemers 24 uur per dag worden gevolgd door camera’s. De langst in de villa blijvende deelnemer maakt kans op het winnen van prijzen. De vrouw over wie het in deze zaak gaat, is één van de deelnemers.

De vrouw tekent op 15 september 2006 een overeenkomst met Talpa. Dit is door partijen aangemerkt als een overeenkomst van opdracht en uitdrukkelijk niet als een arbeidsovereenkomst.

In de overeenkomst staat opgenomen dat er ook een Regelboek is en dat Talpa de regels hierin mag wijzigen zonder toestemming van de deelnemer. De deelnemer wordt geacht hier mee akkoord te zijn gegaan. Verder is opgenomen dat de deelnemers de instructies en maatregelen van Talpa direct moeten opvolgen. Als een deelnemer hier niet aan meewerkt, mag Talpa hem uitsluiten van deelname aan het programma, zonder dat schadevergoeding of iets anders is verschuldigd. Tenslotte is opgenomen dat Talpa de deelnemers € 2.250,- bruto betaalt als schadevergoeding voor gederfde inkomsten voor elke maand dat ze in het huis blijven.

De vrouw is na een aantal maanden ‘weggestemd’ uit het huis. Zij heeft voor de maanden dat zij erin heeft gezeten, een bedrag van € 30.889,62 bruto gekregen van Talpa. Daarna vraagt ze een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan bij het UWV. Bij besluit van 26 november 2007 wijst het UWV deze aanvraag af, omdat ze niet heeft gewerkt. De vrouw gaat in bezwaar, maar dit wordt door het UWV ongegrond verklaard.

De vrouw gaat daarna in beroep. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar. Het UWV gaat in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en overweegt dat de vrouw in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond in de zin van artikel 3 van de WW en dat het UWV de WW-uitkering op die grond niet mocht weigeren. De Centrale Raad van Beroep toetst hierbij aan de criteria voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst uit artikel 7:610 BW en oordeelt dat deze allemaal aanwezig zijn.

Het UWV gaat in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt het UWV in de kosten van het geding.