ECLI:NL:HR:2011:BO9675/NJ 2012/627 (Waarheidsplicht)

Hoge Raad, 25 maart 2011, Waarheidsplicht
(ECLI:NL:HR:2011:BO9675)

Essentie

Arrest van de Hoge Raad omtrent de waarheidsplicht van art. 21 Rv:
‘’Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.’’

Rechtsregel

De waarheidsplicht (art. 21 Rv) geldt voor alle burgerlijke rechtsvordering procedures. De rechter mag ambtshalve oordelen dat partijen hebben gehandeld in strijd met art. 21 Rv. en daaraan gevolgen verbinden die overeen komen met de aard van en de ernst van de schending. Tevens wanneer de rechtbank op basis van processtukken tot een inhoudelijke beslissing is gekomen, kan het hof oordelen dat art. 21 Rv. is geschonden.

Inhoud

Het arrest betreft een verzoek van een man om de door hem te betalen alimentatie voor zijn twee kinderen die is vastgesteld op € 500 per kind per maand, op nihil te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Vervolgens stelt hof de te betalen bijdrage vast op € 262,44 per kind per maand en overweegt daarbij dat partijen niet de waarheidsplicht hebben nageleefd waardoor het hof niet beschikt over benodigde gegevens om de draagkracht te bepalen. Daaruit heeft het hof de conclusie getrokken dat partijen in staat zijn de helft van de kosten voor de kinderen te betalen.

De man stelt dat art. 21 Rv. niet van toepassing is op de verzoekschriftprocedure. Deze klacht faalt, omdat zij berust op een onjuiste rechtsopvatting. De verplichting in de eerste zin geldt voor alle in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering geregelde procedures. Als partijen niet aan deze verplichting tot een juiste en volledige voorlichting van de rechter en de wederpartij hebben voldaan, staat het de rechter vrij conclusies te trekken die hij geraden acht. Of partijen aan deze verplichting hebben voldaan, steunt op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van gedingstukken en op feitelijke waarderingen die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. De rechter mag ambtshalve oordelen dat partijen in strijd hebben gehandeld met de waarheidsplicht en daaraan gevolgen verbinden die in overeenstemming zijn met de ernst van de schending van de desbetreffende verplichting. Het feit dat de rechtbank op basis van de processtukken tot een inhoudelijke beslissing is gekomen, sluit niet uit dat het hof tot het oordeel komt dat art. 21 is geschonden en op basis van de naar zijn oordeel gebrekkige informatie een beslissing neemt die in overeenstemming hiermee leidt tot de gevolgtrekkingen over de draagkracht van beide partijen die het hof in deze context geraden achtte.

De klacht mist feitelijke grondslag omdat het hof van oordeel was dat de man mede de behoefte van de kinderen en in verband daarmee de draagkracht van de vrouw aan de orde heeft gesteld. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte zonder nadere bewijslevering heeft geoordeeld dat de door de man aangevoerde omstandigheden dat hij opnieuw is gehuwd en dat uit dit huwelijk twee kinderen zijn geboren, een relevante wijziging opleveren die tot de conclusie kan leiden dat de bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het hof heeft niet een onjuiste maatstaf aangelegd door deze omstandigheden als relevant aan te merken. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake, omdat het hof bij het ontbreken van volledige gegevens de draagkracht van de man niet met voldoende nauwkeurigheid kon vaststellen, maar dat ook niet behoefde te doen nu het hof is uitgegaan van de mede op de tweede volzin van art. 21 Rv. gebaseerde gevolgtrekking dat de door het hof vastgestelde bijdrage in overeenstemming is met de draagkracht van beide partijen.