ECLI:NL:HR:2010:BL7407 (Gelijke verdeling)

Hoge Raad, 21 mei 2010, Gelijke verdeling
(ECLI:NL:HR:2010:BL7407)

Essentie
Hoofdverblijf en omgangsregeling kind. Gezamenlijk gezag, opgenomen in het gezagsregister. Wet bevordering voortgezet ouderschap. Geen 50/50 verdeling zorg- en opvoedingstaken.

Rechtsregel
Ten tijde van dit geding was de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (27 november 2008, Stb. 50, inwerkingtreding: 1 maart 2009, hierna: de Wet) net nieuw. In deze Wet is als proces-eis opgenomen dat de ouders, als zij gezamenlijk gezag hebben dat is vastgelegd in het gezagsregister, verplicht een ouderschapsplan moeten opstellen. De rechter dient de zaak hiervoor aan te houden totdat dit is opgesteld. In deze zaak is het verzoekschrift echter ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet, waardoor deze verplichting hier nog niet van toepassing is.

In de nieuwe Wet is het uitgangspunt dat de zorg- en opvoedingstaken, bij ouders met gezamenlijk gezag, na het uit elkaar zijn zoveel mogelijk 50/50 over de ouders verdeeld moeten worden. Dit betekent alleen niet dat dit de enige keuze is die de rechter kan maken. Als het in het belang van het kind is om een andere verdeling te kiezen, mag dat nog steeds het zwaarst wegen.

Echter, in de nieuwe Wet staat ook een artikel waaruit volgt dat de ene ouder de verplichting heeft om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen, en dat het kind recht heeft op verzorging in gelijke mate door zijn beide ouders. Dat betekent ook niet dat er een 50/50 verdeling moet zijn. Het is namelijk in deze zaak niet zo dat de ene ouder minder ‘recht’ heeft op de zoon dan de ander, maar het belang van de zoon weegt het zwaarst. Op basis daarvan is de keuze voor het hoofdverblijf bij de ene ouder gemaakt.

Ten aanzien van de standaard omgangsregeling en het beginsel van gelijkwaardig ouderschap, zegt de HR het volgende. Ook hierbij kan het belang van het kind het zwaarst wegen, en hoeft niet automatisch een 50-50% verdeling te worden aangehouden. Dat is in deze zaak ook gebeurd; er is toch een standaard omgangsregeling van een weekend per 14 dagen bepaald.

Inhoud arrest
Een man (hierna: de vader) en een vrouw (hierna: de moeder) gaan in 1994 samenwonen. Zij krijgen in 2004 samen een zoon. De vader erkent zijn zoon. De vader en de moeder hebben gezamenlijk gezag. Dit is ook officieel vastgelegd in het gezagsregister.

In 2007 gaan de vader en de moeder uit elkaar. De moeder verhuist met hun zoon naar een andere stad.

De moeder dient een verzoekschrift in bij de rechtbank om te bepalen dat het hoofdverblijf van de zoon bij haar is en om een omgangsregeling vast te stellen. De vader dient een verweerschrift in, waarin hij verzoekt om de gevraagde omgangsregeling af te wijzen en een andere vast te stellen. Verder verzoekt hij ook te bepalen dat het hoofdverblijf van zijn zoon bij hem zal zijn.

Bij beschikking van 25 juni 2008 bepaalt de rechtbank dat het hoofdverblijf van de zoon bij zijn moeder zal zijn. De vader krijgt een standaard omgangsregeling: een weekend per 14 dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder de zoon naar de woonplaats van de vader brengt en de vader hem terugbrengt. Daarnaast heeft de vader recht op de helft van de feestdagen en vakanties. De vader moet alle reiskosten voor de omgangsregeling betalen.

De vader gaat in hoger beroep. Bij beschikking van 4 juni 2009 bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank.

De vader gaat in cassatie. De moeder verzoekt om verwerping van het beroep.

De Hoge Raad stelt ten aanzien van het hoofdverblijf van de zoon vast dat de oude woonplaats weliswaar eerst vertrouwd was en dat de moeder met de vader had moeten overleggen voordat ze ging verhuizen naar een andere plaats, maar dat hij nu vier jaar is en al twee jaar in de nieuwe woonplaats woont, waar hij ook naar school gaat. Dit is daarom nu zijn vertrouwde omgeving, en er is geen reden om hem daar weg te halen. Ook is er geen aanleiding voor de stelling dat de moeder niet goed voor de zoon zou zorgen. Dit wordt ook bevestigd door een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Het belang van de zoon staat voorop.

Echter, in de nieuwe Wet staat ook een artikel waaruit volgt dat de ene ouder de verplichting heeft om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen, en dat het kind recht heeft op verzorging in gelijke mate door zijn beide ouders. Het enkele feit dat de moeder zou zijn verhuisd zonder overleg met de vader en hem daarmee zijn recht zou hebben ontnomen (wat niet vaststaat) is onvoldoende om het hoofdverblijf van de zoon bij de vader te bepalen. Het hof heeft namelijk niet gezegd dat de vader minder recht op de zoon heeft dan de moeder, maar heeft het belang van de zoon het zwaarst laten wegen, en daarom de keuze gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf bij zijn moeder heeft.

Ten aanzien van de standaard omgangsregeling en het beginsel van gelijkwaardig ouderschap, zegt de HR het volgende. Ook hierbij kan het belang van het kind het zwaarst wegen, en hoeft niet automatisch een 50-50% verdeling te worden aangehouden. Dat is in deze zaak ook gebeurd; mede gelet op de slechte communicatie en de grote reisafstand tussen de woonplaatsen van de vader en moeder is een gelijke verdeling niet mogelijk.

De HR verwerpt het beroep.