ECLI:NL:HR:2009:BJ0861 (Hamm q.q./ABN AMRO)

Hamm q.q./ABN AMRO, HR 30 oktober 2009
ECLI:NL:HR:2009:BJ0861

Essentie
In casu staat centraal of de curator (Hamm) verplicht is om gegevens aan ABN AMRO te verstrekken zodat er mededeling van stil pandrecht gedaan kan worden, waarbij dan de vordering geïnd kan worden.

Rechtsregel
Van curator Hamm kan niet worden verlangd dat hij ABN AMRO in staat stelt haar rechten uit te oefenen, maar dit mag ook niet door hem gefrustreerd worden. Curator Hamm is daarom verplicht om alle informatie aan ABN AMRO te verstrekken die nodig is voor het doen van mededeling van het pandrecht (ex art. 3:246 lid 1 BW). Tevens dient Hamm een redelijke termijn te geven. Bij een professionele pandhouder zoals de bank, kan dit gesteld worden op 14 dagen na de faillietverklaring.

Inhoud arrest
ABN AMRO heeft aan Autocar een krediet verstrekt. Transocar heeft zich jegens ABN AMRO hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden van Autocar. Beiden hebben zich verbonden om ten behoeve van ABN AMRO een stil pandrecht te vestigen op al hun huidige en toekomstige vorderingen op derden.

Op 25 augustus 1999 worden Autocar en Transocar failliet verklaard waarbij curator Hamm aangesteld wordt. De totale vordering van ABN AMRO bedroeg ruim 7,4 miljoen gulden. Inmiddels is daarvan 3,1 miljoen afbetaald.

Op 22 november 2000 dagvaardt ABN AMRO curator Hamm om aan de bank inzage te geven in de administratie van Autocar en Transocar en wel zodanig dat de bank alle debiteuren op rechtsgeldige wijze mededeling kan doen van de verpanding van de schuld aan ABN AMRO.

In haar vonnis van 6 februari 2002 wijst de rechtbank de vordering toe, omdat de pandgevers zich in de overeenkomst tot verpanding hebben verbonden om aan ABN AMRO alle medewerking te verlenen. Hamm dient, gelet op de overeenkomst tot verpanding, de benodigde gegevens aan ABN AMRO te verstrekken.

In hoger beroep stelt Hamm dat hij niet verplicht is ABN AMRO inzage in de administratie te verlenen en/of inlichtingen uit die administratie te verschaffen, omdat het niet om een boedelschuld gaat. De contractuele verplichting tot het verschaffen van inzage rust slechts op de pandgever en niet op de curator. Tevens stelt Hamm dat ABN AMRO welbewust gekozen heeft voor een stil pandrecht, met als nadeel dat bij faillissement van de pandgever de geïncasseerde bedragen via de uitdelingslijst na betaling van de faillissementskosten ontvangen worden. Volgens Hamm is het niet vanzelfsprekend om de curator op te zadelen met werk en kosten voor een specifieke crediteur. Het belang van de boedel zou zwaarder moeten wegen.

De bank heeft (voor het eerst in hoger beroep) een beroep gedaan op art. 3:15j sub d BW. Volgens deze bepaling kan een schuldeiser bij faillissement openlegging vorderen van tot de administratie van de failliet behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers voorzover hij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang heeft. Het hof oordeelt dat hiervan sprake is en dat het nadeel dat de curator stelt niet is verbonden aan een stil pandrecht, aangezien de bank inzage kan vorderen en met de aldus verkregen gegevens het stil pandrecht buiten faillissement te gelde kan maken zodat zij niet hoeft te delen in de faillissementskosten.

In incidenteel appel vordert ABN AMRO bekrachtiging van het bestreden vonnis. Zij betoogt dat Hamm ook zonder contractuele plicht daartoe gehouden is inzage te verlenen in de administraties van de debiteuren.

In ING/Verdonk heeft de Hoge Raad overwogen dat als de bank nog geen mededeling aan de debiteuren heeft gedaan, de curator niet verplicht is om de bank op grond van art. 58 lid 1 Fw een termijn te stellen om tot uitoefening van de in art. 58 Fw bedoelde rechten over te gaan. Het is echter wel zo dat de curator een termijn van 14 dagen na de faillietverklaring in acht moet nemen voordat hij zelf tot inning mag overgaan.

De Hoge Raad oordeelt dat het arrest van het Hof ten dele onjuist is. Het hof is er vanuit gegaan dat een vordering van ABN AMRO tot openlegging als bedoeld in art. 3:15 j sub d BW haar rechtvaardiging reeds kan vinden in het mogelijk achterhalen van gegevens om ABN AMRO in staat te stellen de bedoelde debiteuren mededeling te doen en het stil pandrecht uit te kunnen oefenen. ABN AMRO heeft wel een voldoende belang, maar geen rechtstreeks belang en zeker niet een rechtstreeks belang als faillissementscrediteur.

De Hoge Raad oordeelt ook over de taak van de curator. Deze bestaat in het beheren en vereffenen van de failliete bedoel, maar dit strekt zich niet tot het doen van de gehele administratie van het faillissement. Een dergelijke gang van zaken zou de betrokken crediteur ook ten onrechte een voorsprong verschaffen op andere crediteuren die mogelijk eenzelfde of een beter recht zouden willen uitoefenen, maar zich daarin mogelijk door een sneller opererende crediteur de pas zien afgesneden.

Hoge Raad beslist wel dat de curator een redelijke termijn – die aanvangt na de faillietverklaring –  ten aanzien van een professionele stille pandhouder als een bank in het algemeen is te stellen op veertien dagen. Het is voldoende dat de curator zich onthoudt van inning van de verpande vorderingen gerichte activiteiten; hij is dus niet verplicht de stille pandhouder een redelijke termijn te stellen om jegens de debiteuren van de verpande vorderingen over te gaan tot uitoefening van zijn rechten krachtens art. 57 Fw. Tevens mag de curator de uitoefening niet frustreren. Dit betekent dat de curator de pandhouder op zijn verlangen alle informatie verstrekt over de debiteuren van de verpande vorderingen waarover hij beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft om de mededeling zoals bedoeld in art. 3:246 lid 1 BW te kunnen doen. Hiervoor kan een redelijke vergoeding gevraagd worden.