ECLI:NL:HR:2008:BC0384 (Philips / Oostendorp c.s.)

Philips / Oostendorp c.s., 28 maart 2008
(ECLI:NL:HR:2008:BC0384)

Essentie
Een concurrentiebeding is geldig als (onder meer) aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Hieraan is voldaan als de werknemer de begeleidende brief bij de arbeidsvoorwaarden heeft ondertekend; de arbeidsvoorwaarden zelf hoeven niet ondertekend te worden.

Rechtsregel
Het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653, eerste lid, BW is bedoeld als een verzekering dat een werknemer de gevolgen van bezwarende bedingen goed heeft overwogen. Aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan als een werknemer een arbeidsovereenkomst met daarin een concurrentiebeding heeft ondertekend.

Als in de arbeidsovereenkomst of in een brief wordt verwezen naar bijgevoegde arbeidsvoorwaarden met een concurrentiebeding en de werknemer verklaart hiermee akkoord te zijn door ondertekening van de arbeidsovereenkomst of de brief, dan is ook aan het vereiste voldaan. Het is niet verplicht dat de arbeidsvoorwaarden zelf worden ondertekend door de werknemer en de akkoordverklaring in de arbeidsovereenkomst hoeft ook niet uitdrukkelijk naar het concurrentiebeding te verwijzen.

Er is niet aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan als de werknemer zich akkoord verklaart met een concurrentiebeding in een document dat niet als bijlage is bijgevoegd, tenzij de werknemer uitdrukkelijk verklaart in te stemmen met het concurrentiebeding.

Inhoud arrest
Philips gaat op 1 april 1987 werken bij een bedrijf als assistent-accountant. Zijn arbeidsovereenkomst wordt daarna omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Op zijn arbeidsovereenkomst waren arbeidsvoorwaarden van toepassing, waaronder een concurrentiebeding. Bij brief van 12 december 1997 krijgt Philips een exemplaar van de nieuwe arbeidsvoorwaarden, met een nieuw concurrentiebeding.

Hierin staat dat het iemand verboden is, met als straf een boete van 250 gulden per dag, om zonder uitdrukkelijke toestemming van het bedrijf binnen twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst als zelfstandige of in een andere bedrijf werkzaamheden te verrichten voor cliënten van het bedrijf. Deze nieuwe arbeidsvoorwaarden ondertekent hij en stuurt de brief terug. Hij schrift op de brief: ‘deze zijn door mijn geaccordeerd’. In 2003 volgen opnieuw nieuwe arbeidsvoorwaarden. Deze tekent Philips niet voor akkoord.

Op 28 februari 2006 zegt Philips zijn arbeidsovereenkomst op en gaat hij in dienst bij Contour Accountants als relatiebeheerder. Voordat hij daar in dienst is getreden, is hij door de gemachtigde van het bedrijf gewezen op het concurrentiebeding.

Philips spant een kort geding aan en vraagt schorsing en subsidiair matiging van het concurrentiebeding. Hij onderbouwt dit door te stellen dat het concurrentiebeding niet rechtsgeldig is overeengekomen, nu hij de bij de brief van 12 december 1997 gevoegde arbeidsvoorwaarden niet heeft ondertekend. De kantonrechter wijst de vordering toe, omdat het twijfelachtig is of aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 BW is voldaan.

Het bedrijf gaat in hoger beroep. Het hof wijst de vorderingen van Philips alsnog af. Er is wel voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste, omdat uit het bijschrift duidelijk blijkt dat hij instemt met de nieuwe arbeidsvoorwaarden. Geen rechtsregel verplicht dat de arbeidsvoorwaarden zelf ondertekend moeten zijn om het concurrentiebeding rechtsgeldig te laten zijn, als op een andere manier instemming blijkt met die voorwaarden.

Philips gaat in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt Philips in de kosten van het geding in cassatie.