ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)

Hoge Raad, 8 december 2006, Ontvanger/Roelofsen
(ECLI:NL:HR:2006:AZ0758)

Essentie

Dit arrest betreft de maatstaf voor de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap jegens een schuldeiser op grond van art. 6:162 BW. Het laat zich plaatsen binnen het leerstuk van de externe aansprakelijkheid van bestuurders.

Rechtsregel

Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

Inhoud arrest

A is enig aandeelhouder en bestuurder van twee BV’s, die samen een fiscale eenheid vormen voor de omzetbelasting. De fiscale eenheid krijgt in 1997 en 1998 in totaal zeven naheffingsaanslagen van bijna twee miljoen gulden. Deze aanslagen worden echter nooit betaald en beide BV’s worden in 1998 failliet verklaard.

De Ontvanger heeft een verklaring voor recht gevraagd dat de bestuurder van een aantal vennootschappen onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door met omzetten te slepen en op grote schaal te schuiven met aangiften en afdrachten. De bestuurder voert als verweer dat hij niet had kunnen voorzien dat de vennootschappen de aanslagen niet zouden voldoen. Het hof gaat hierin mee en de Ontvanger gaat in cassatie.

Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar de maatstaf van behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, dat betrekking heeft op de interne aansprakelijkheid van het bestuur.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (het zinkend schip-scenario). Hierbij kan de bestuurder omstandigheden aanvoeren waaruit blijkt dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Deze norm wordt ook wel de Beklamel-norm genoemd en vloeit voort uit het Beklamel-arrest[1] en het latere New Holland Belgium/Oosterhof-arrest.[2]

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hiervan is onder meer sprake als kan worden aangenomen als een bestuurder heeft bewerkstelligd dat zijn vennootschap de crediteur niet betaalt en tevens geen verhaal biedt. Dit wordt ook wel aangeduid als frustratie van betaling en verhaal. De bewijslast bij deze grondslag rust op de schuldeiser. Mede hierdoor zal een beroep op de Ontvanger/Roelofsen-norm niet snel slagen.

[1] HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel).

[2] HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland Belgium/Oosterhof).