ECLI:NL:HR:2006:AV8535 (Bloedvergiftiging)

Hoge Raad, 13 juni 2006, Bloedvergiftiging
(ECLI:NL:HR:2006:AV8535)

Essentie

Dit arrest ziet op het causaal verband en de redelijke toerekening. Mits de aanvankelijke handeling naar zijn aard voldoende toereikend is voor het concrete gevolg, wordt de redelijke toerekening in beginsel niet doorbroken door de mogelijkheid van een andere oorzaak. Causaliteit kan dan enkel worden aangenomen in gevallen waarin de mogelijkheid van een andere oorzaak niet meer dan hoogst onwaarschijnlijk is.

Rechtsregel

Een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken staat niet aan de bewezenverklaring van het causaal verband in de weg.

Inhoud arrest

De verdachte in deze zaak heeft het slachtoffer met een mes neergestoken in zijn rug, waardoor deze een klaplong en een bloeding in zijn borstholte heeft opgelopen. Het slachtoffer is opgenomen in het ziekenhuis en heeft het ziekenhuis vervolgens na vijf dagen verlaten in stabiele toestand. Zes dagen na zijn ontslag wordt het slachtoffer opnieuw opgenomen, waarna hij uiteindelijk overlijdt aan een bloedvergiftiging, veroorzaakt door een bacteriële infectie.

De rechtsvraag die in dit arrest centraal staat, is of op grond van de redelijke toerekening een causaal verband kan worden vastgesteld tussen het handelen van de verdachte en de dood van het slachtoffer.

Deskundige A heeft verklaard dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de infectie het gevolg is geweest van de messteek. Deskundige B stelt dat het in theorie mogelijk is dat het slachtoffer de infectie heeft opgelopen tussen de twee ziekenhuisopnames in. Hoe klein en onwaarschijnlijk ook, blijft de mogelijkheid bestaan dat het slachtoffer de infectie heeft opgelopen ten gevolge van iets anders dan de messteek. Het hof kan hierom niet met zekerheid vaststellen dat een causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en de dood van het slachtoffer. Hierdoor kan de dood van het slachtoffer niet redelijkerwijs als gevolg van de ten laste gelegde gedraging worden toegerekend aan de verdachte.

De Hoge Raad formuleert echter een andere maatstaf. Volgens de Hoge Raad sluit het feit dat de infectie de directe doodsoorzaak is geweest niet uit dat er een zodanig verband is geweest tussen de messteek en de daardoor noodzakelijk ondergane medische behandelingen enerzijds en de infectie anderzijds. Daardoor kan de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van de messteek aan de verdachte worden toegerekend. Het oordeel van het hof over een mogelijkheid ‘hoe klein en onwaarschijnlijk ook’ kan dan ook bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat ook een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid heeft geleid tot het overlijden, aan een bewezenverklaring van het causaal verband in de weg staat. De Hoge Raad formuleert daarbij de volgende maatstaf: een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken staat niet aan de bewezenverklaring van het causaal verband in de weg.