ECLI:NL:HR:2004:AR0196 (Testament)

Testament, HR 3 december 2004
ECLI:NL:HR:2004:AR0196

Essentie
Bij de uitleg van een testament dient ook te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt.

Rechtsregel
Bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, dient mede te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. Een samenlevingsovereenkomst kan daarom een omstandigheid vormen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de uitleg van een testament.

Inhoud arrest
Twee ongehuwde partners sluiten een samenlevingscontract waarin ze overeenkomen dat zij gaan samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding zullen voeren. Daarnaast stellen zij beide een testament op waarin ze elkaar tot enig erfgenaam benoemen. Van belang is dat de partners na een paar jaar in het huwelijk treden. Later volgt een echtscheiding. Enkele jaren hierna overlijdt één van hen. De rechtsvraag die in deze casus centraal staat is de vraag wie erfgenaam is van de overledene. Is dat nog steeds de ex-partner nu de relatie voor het overlijden werd verbroken?

De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn en slechts voor één uitleg vatbaar zijn. Volgens het testament is de ex-partner (enig) erfgenaam. Het hof is van mening dat het testament in dit geval in verband met de rechtszekerheid niet mag worden uitgelegd in die zin dat er wordt nagegaan of de erflater tijdens het opmaken van het testament bedoeld heeft dat zijn partner alleen erfgenaam was zolang zij een relatie hadden. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het gevoel van verantwoordelijkheid van partners niet altijd hoeft op te houden wanneer zij hun relatie beëindigen.

De Hoge Raad overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt (HR 22 januari 1965, NJ 1966, 177 en HR 9 april 1965, NJ 1966, 178). In dit licht heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven of zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Het hof heeft van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven indien zijn oordeel dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn en dat het hof derhalve niet toekomt aan uitleg daarvan, aldus moet worden opgevat dat de vaststaande omstandigheden waaronder het testament is gemaakt – dat erflater voornemens was op korte termijn te gaan samenwonen in een door hen gemeenschappelijk te verwerven huis, en dat op de dag waarop het testament werd verleden, tussen hen ook een samenlevingscontract werd opgemaakt – voor de uitleg van het testament van erflater niet ter zake dienend kunnen zijn. Indien het hof echter van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan – namelijk dat de zojuist genoemde omstandigheden wel degelijk van belang kunnen zijn bij de uitleg van het testament – heeft het zijn oordeel, dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn, onvoldoende gemotiveerd.