ECLI:NL:HR:2004:AP0186 (Bijzondere geneeskundige reden bij niet voltooien ademanalyse)

Hoge Raad 17 augustus 2004, Bijzondere geneeskundige reden bij niet voltooien ademanalyse
(ECLI:NL:HR:2004:AP0186)

Essentie

Het hof heeft in hoger beroep de verdachte veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet (WVW). Het middel in cassatie klaagt er onder meer over dat het hof het verweer dat de verdachte buiten zijn schuld niet in staat was de ademanalysetest te voltooien ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep als verweer gevoerd dat geen sprake is geweest van een volledig onderzoek aangezien de verdachte niet in staat was om tweemaal achter elkaar adem te blazen in het apparaat. De ambtenaar had volgens de raadsman moeten nagaan of de verdachte fysiek wel in staat was om vlak na elkaar de benodigde hoeveelheid lucht uit te blazen en had zekerheidshalve daarom toestemming moeten vragen aan de verdachte voor het verrichten van een bloedproef.

Rechtsregel

Het hof heeft in zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het beroep van de verdachte op artikel 163, derde lid, WVW afstuit op de omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten tegenover de verbalisanten op een niet voor misverstand vatbare wijze een beroep te doen op de in die bepaling bedoelde bijzondere medische redenen die het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek onwenselijk doen zijn.

Volgens de Hoge Raad geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel – ook zonder nadere motivering – niet onbegrijpelijk.

Inhoud arrest

Het hof heeft omtrent het verweer van de raadsman het volgende overwogen:

“Verdachte stelt dat hij door problemen met zijn longen ten tijde van de ademanalyse deze test niet heeft kunnen voltooien. De verbalisanten Ter Hoeven en Visser hebben in hun op ambtseed opgemaakte proces-verbaal vermeld dat de verdachte enkele malen heeft gezegd zijn best te doen en dat er geen enkele indicatie was dat verdachte op medische gronden niet in staat zou zijn om de ademanalyse te kunnen voltooien. Zij hebben dit als getuigen ter terechtzitting bij de politierechter bevestigd. Ook overigens is niet uit de stukken gebleken dat verdachte iets over zijn medische toestand tegenover de verbalisanten heeft gezegd. Er is weliswaar een arts aanwezig geweest om de medische toestand van verdachte te bezien, doch verdachte heeft slechts aangegeven last te hebben van zijn rug. De verbalisanten konden en mochten in redelijkheid dan ook oordelen dat verdachte weigerde medewerking te verlenen en opzettelijk niet voldeed aan het volbrengen van de ademtest. Aangezien de vordering bloedproef eerst aan de orde komt indien medewerking aan het ademonderzoek om aannemelijk geworden bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid onderzoek, welke beide omstandigheden zich hier niet hebben voorgedaan, waren de verbalisanten niet gehouden de verdachte toestemming te vragen tot het verrichten van een bloedonderzoek.”