ECLI:NL:HR:2003:AF7541 (Zweedse Bruid)

Zweedse Bruid, HR 27 juni 2003
(ECLI:NL:HR:2003:AF7541)

Essentie
Bij de ontbinding van een huwelijksgemeenschap geldt ingevolge art. 1:100 lid 1 BW de hoofdregel dat ieder de helft van het vermogen krijgt, tenzij andersluidende huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt. Alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken.

Rechtsregel
Op grond van de huidige wetgeving ontstaat door het voltrekken van een huwelijk een gemeenschap van goederen tussen echtgenoten, tenzij huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt.[1] Bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap geldt ingevolge art. 1:100 lid 1 BW de hoofdregel dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald in de huwelijkse voorwaarden. Alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van deze regel worden afgeweken.

De omstandigheden in dit arrest, te weten dat een vrouw aandrong op een spoedig huwelijk met een zeer vermogende man, de vrouw meerdere malen heeft gezegd dat het haar niet om zijn geld ging en de man ervan uitging dat zij mee zou werken aan het opstellen van huwelijkse voorwaarden ná het huwelijk en dat de vrouw vervolgens heeft geweigerd haar medewerking hieraan te verlenen, zijn volgens de Hoge Raad zowel afzonderlijk als tezamen niet zo uitzonderlijk dat afwijking van art. 1:100 lid 1 BW gerechtvaardigd is.

Vergelijk de arresten waarin wél uitzonderlijke omstandigheden door de Hoge Raad zijn aangenomen.[2]

Zweedse bruid

Inhoud arrest
Het gaat in dit arrest om de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap. De man heeft voor de rechtbank en voor het hof tevergeefs bepleit dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de in art. 1:100 lid 1 BW neergelegde regel dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden. De door de man gestelde bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de omvang van zijn vermogen en in het feit dat de vrouw (met Zweedse nationaliteit) in een periode waarin de man het zeer druk had met zijn zaken, aandrong op een spoedig huwelijk in verband met de verkrijging van een verblijfsvergunning en haar wens een winkel te openen in Nederland. Daarbij zou de vrouw meermalen te kennen hebben gegeven dat het haar niet om het geld van de man te doen was, waaruit de man meende te kunnen afleiden dat zij bereid was mee te werken aan het opstellen van huwelijksvoorwaarden na sluiting van het huwelijk. Na de huwelijkssluiting heeft de vrouw geweigerd haar medewerking te verlenen aan het opstellen van de door de man voorgestelde huwelijkse voorwaarden. De man is daarom van mening dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwen in haar.

De rechtsvraag die centraal staat, is of er in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat er wordt afgeweken van de hoofdregel van art. 1:101 lid 1 BW dat de huwelijksgemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld?

De Hoge Raad oordeelt dat gelet op het feit dat partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd en zij hebben nagelaten om huwelijkse voorwaarden op te maken, de regel van verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap ex. art. 1:100 lid 1 BW geldt. In zeer uitzonderlijke gevallen is afwijking van die regel mogelijk. De door de man aangevoerde bijzondere omstandigheden, te weten de omvang van zijn vermogen en het feit dat de vrouw volgens de man misbruik van zijn vertrouwen heeft gemaakt, zijn volgens de Hoge Raad zowel afzonderlijk als tezamen niet zo uitzonderlijk dat afwijking van art. 1:100 lid 1 BW gerechtvaardigd is.

 

[1] Zie in dit kader het wetsvoorstel omtrent aanpassing van het huwelijksvermogensrecht over de beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen.

[2] HR 7 december 1990, LJN: ZC0071, NJ 1991, 593 (Moord en de algehele gemeenschap); Hof Amsterdam 14 mei 2013, LJN CA3906; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749.