ECLI:NL:HR:2002:AE0745 (Voorwaardelijke toestemming erkenning)

Voorwaardelijke toestemming erkenning, HR 31 mei 2002
(ECLI:NL:HR:2002:AE0745)

Door Lisanne Roestenberg

Essentie

Gedurende een procedure tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning mag de moeder alleen voorwaardelijke toestemming geven aan iemand anders om haar kind te erkennen.

Rechtsregel

Er kan door de rechtbank vervangende toestemming tot erkenning worden verleend aan de verwekker van het kind indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. Hiermee is in strijd dat de moeder gedurende de procedure bij de rechter dit proces kan blokkeren door iemand anders toestemming te geven tot erkenning. Vanaf het moment dat een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming bij de rechtbank, totdat hierop definitief is beslist, kan de moeder daarom alleen voorwaardelijk toestemming verlenen aan iemand anders, zoals haar echtgenoot. Die toestemming heeft alleen tot gevolg dat de ander het kind kan erkennen als de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd.

Inhoud arrest

Verzoekster krijgt op 10 oktober 1997 een zoontje. Verweerder is de biologische vader van dit kind (hierna: de vader). Hij wil het kind erkennen. De moeder weigert dit, omdat zij samen met haar echtgenoot en zoontje een gezin vormt. De vader dient op 27 januari 1999 een verzoekschrift in bij de rechtbank voor vervangende toestemming voor erkenning en een omgangsregeling. De moeder bestrijdt het verzoek. De rechtbank verleent bij beschikking van 5 juli 1999 de toestemming, maar wijst het verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren af. De beslissing over de omgangsregeling houdt de rechtbank aan tot het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) ontvangen is. Tegen deze beschikking stelt de moeder hoger beroep in bij het hof. De vader dient een verweerschrift in. Bij tussenbeschikking verzoekt het hof de RvdK om advies over de erkenning. Nadat haar echtgenoot met toestemming van verzoekster het kind heeft erkend, vermeerdert de vader zijn verzoek en vraagt om deze erkenning niet-ontvankelijk te verklaren of de nietigheid ervan vast te stellen.

Bij eindbeschikking van 15 augustus 2001 bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank en verklaart het hof de door de moeder verleende toestemming tot erkenning aan haar echtgenoot niet-rechtsgeldig. De moeder stelt cassatie in. De Hoge Raad verwerpt het beroep.