ECLI:NL:HR:2002:AD9430 (Looijen / Jansen & De Kruyf)

Looijen / Jansen & De Kruyf, 22 februari 2002
(ECLI:NL:HR:2002:AD9430)

Essentie
Ontslag op staande voet. Persoonlijke omstandigheden moeten worden betrokken bij vaststelling of sprake is van een dringende reden.

Rechtsregel
Bij de vaststelling van de dringende redenen voor een ontslag op staande voet moeten de omstandigheden van het geval, de aard van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft gedaan en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen van het ontslag, worden betrokken. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan ontslag op staande voet gerechtvaardigd zijn. De rechtbank heeft nagelaten aan te tonen dat deze belangenafweging, met name op de punten die Looijen heeft gesteld, heeft plaatsgevonden. Hierdoor is het oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Als de werkgever de uitkomst van een onderzoek van een deskundige aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt, dan kan niet in het midden worden gelaten of de werknemer van deze uitslag direct na het onderzoek op de hoogte is gesteld. Ook op grond hiervan is het vonnis onvoldoende gemotiveerd.

Een werknemer is verplicht om weer te gaan werken zodra hij zich hiertoe in staat acht, hij mag geen schriftelijke hersteldverklaring van de bedrijfsarts afwachten.

Inhoud arrest
Looijen gaat op 3 september 1965 als meubelstoffeerder werken bij Jansen & De Kruyf cs.

Op 12 januari 1998 meldt hij zich ziek. De bedrijfsarts verklaart hem per 22 januari 1998 arbeidsgeschikt voor zijn werk. De verzekeringsarts van het GAK (inmiddels UWV) onderzoekt hem op zijn verzoek op 23 januari 1998 opnieuw en verklaart hem ook arbeidsgeschikt. Desondanks gaat Looijen niet werken en meldt zich ook niet opnieuw ziek. Vanaf 1 maart 1998 betalen Jansen & De Kruyf zijn loon daarom niet meer.

Bij brief van 2 april 1998 delen Jansen & De Kruyf mede aan Looijen dat sprake is van werkweigering, maar dat ze hem nog één kans willen geven. Als hij op 6 april 1998 om acht uur ‘s morgens niet op zijn werk verschijnt, wordt hij op staande voet ontslagen.

Op 6 april 1998 meldt Looijen zich ziek vanwege griep. De bedrijfsarts verklaart hem op 8 april 1998 arbeidsongeschikt en op 16 april 1998 weer arbeidsgeschikt. Ook de verzekeringsarts van het GAK heeft hem geschikt verklaard voor zijn eigen werk.

Bij brief van 23 april 1998 ontslaan Jansen & De Kruyf Looijen op staande voet. Zij hebben gesteld dat Looijen onwettig verzuimt door niet te komen werken sinds dat hij weer arbeidsgeschikt is verklaard.

Bij brief van 29 april 1998 roept Looijen de nietigheid van het ontslag in.

Op 4 mei 1998 meldt Looijen zich op het werk en maakt hij duidelijk dat hij weer wil komen werken. Jansen & De Kruyf laten hem echter niet toe op het werk.

De Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening verleent op 26 mei 1998 en vergunning om, voor zover vereist, de arbeidsovereenkomst met Looijen te beëindigen. Jansen & De Kruyf zeggen de arbeidsovereenkomst op per 29 september 1998 bij brief van 28 mei 1998.

Looijen dagvaardt Jansen & De Kruyf en vordert betaling van zijn salaris over de periode 1 maart 1998 tot de datum van de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband, vakantiegeld, wettelijke verhoging over deze bedragen en wettelijke rente. Jansen & De Kruyf bestrijden de vorderingen.

De kantonrechter wijst bij vonnis van 24 februari 1999 de vorderingen toe. Jansen & De Kruyf gaan in hoger beroep. Bij vonnis van 2 december 1999 vernietigt de rechtbank dit vonnis en veroordeelt Jansen & De Kruyf tot betaling van het salaris over de periode 1 maart 1998 tot 20 april 1998, de vakantietoeslag over de periode 1 juni 1997 tot 20 april 1998, uitbetaling van de vakantiedagen over de periode 1 januari 1998 tot 20 april 1998, de wettelijke verhoging over deze bedragen en de wettelijke rente.

Looijen gaat in cassatie. Hij stelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden:

  • Hij was bij het ontslag 50 jaar oud en werkte al bijna 33 jaar voor Jansen & De Kruyf;
  • Tot medio 1997 heeft hij naar tevredenheid gewerkt;
  • Er was sprake van een arbeidsconflict vanwege een wijziging in de werktijden en een niet-ingewilligd verzoek van de werkgever om toestemming voor ontslag waarna de relatie tussen hem en Jansen & De Kruyf niet goed meer was. Dit leidde bij hem tot situatieve arbeidsongeschiktheid;
  • Looijen heeft geen WW-uitkering gehad en kan met de inkomsten uit zijn eigen bedrijf niet rondkomen.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijs het geding naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad veroordeelt Jansen & De Kruyf in de kosten van het geding.

Reacties

reacties