ECLI:NL:HR:2002:AD9204 (Twee pistolen)

Hoge Raad, 25 juni 2002, Twee pistolen
(ECLI:NL:HR:2002:AD9204)

Essentie

Vormverzuim art. 359a Sv. Het Hof heeft verdachte in hoger beroep veroordeeld tot “handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, onder 1, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 2 sub a van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar, en met onttrekking aan het verkeer.

Rechtsregel

De wetgever heeft de beantwoording van de vraag of aan een in art. 359a Sv bedoeld verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja welk rechtsgevolg, sterk afhankelijk willen stellen van de omstandigheden van het geval. Of de het door hem vastgestelde verzuim in de omstandigheden van dit geval voldoende kan worden gecompenseerd door strafvermindering heeft het Hof blijkens zijn overwegingen acht geslagen op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim, en het daardoor jegens de verdachte veroorzaakte nadeel. Dit is in overeenstemming met art. 359a lid 2 Sv. Het Hof heeft bij zijn oordeel de ernst van het feit betrokken. Dat stond hem vrij, nu, naar uit de geschiedenis van art. 359a Sv volgt, de rechter naast de in het tweede lid van die bepaling genoemde, ook andere factoren bij zijn beslissing in aanmerking kan nemen. Het oordeel geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat bij de eerste fouillering bij betrokkene 1 of bij verdachte geen pistool was aangetroffen, terwijl op het politiebureau bij een rechtmatig nader onderzoek bleek dat betrokkene 1 een geladen pistool in de broeksband droeg, zodat, gelet op ’s Hofs vaststellingen, niet viel uit te sluiten dat bij de eerste fouillering van de verdachte ook een fout was gemaakt waardoor deze fouillering zonder resultaat was gebleven.

Inhoud

De politie hield een auto aan waarvan de bestuurder te hard reed. De bestuurder bleek betrokkene 1 te zijn, die gesignaleerd stond voor twee onherroepelijke veroordelingen. In verband met genoemde signalering werd betrokkene 1 aangehouden. Vervolgens werd een veiligheidsfouillering gehouden waarbij een patroonhouder met 6 patronen werd aangetroffen. Het bijbehorende pistool werd in eerste instantie niet aangetroffen. Op die grond werd ook de medepassagier, verdachte aan een veiligheidsfouillering onderworpen, waarbij geen onveilige voorwerpen werden aangetroffen. Beide personen werden hierop aangehouden in verband met een onderzoek naar een overtreding van de Wet wapens en munitie. Van betrokkene 1 werd uitlevering gevorderd van het bij de bij hem aangetroffen patroonhouder behorende pistool. Hij voldeed daaraan niet en werd vervolgens aan zijn kleding onderzocht, waarbij tussen zijn broeksband een pistool werd aangetroffen met daarin nog een patroonhouder met zeven patronen.  Vervolgens werd ook verdachte aan zijn kleding onderzocht, waarbij in de broeksband eveneens een pistool werd aangetroffen, met daarin een patroonhouder met zes patronen. Het hof is van oordeel, dat toen het pistool, welke bij betrokkene 1 tijdens de veiligheidsfouillering  werd aangetroffen, tevoorschijn was gekomen bij het onderzoek aan zijn kleding, er geen enkele reden was, om ook een onderzoek aan de kleding van verdachte uit te voeren. Het pistool dat men zocht was immers terecht en op die grond bestonden er geen zodanig ernstige bezwaren meer dat een onderzoek aan de kleding gerechtvaardigd was. Het onderzoek aan de kleding van verdachte is als onrechtmatig aan te merken.

In cassatie moet worden uitgegaan van het feitelijke oordeel van het Hof dat ernstige bezwaren ontbraken toen de verdachte voor de tweede maal, naar het Hof heeft aangenomen, op basis van art. 52 lid 2 WWM werd gefouilleerd en dat daarom het hiervoor bedoelde onderzoek aan de kleding onrechtmatig is geschied. Met toepassing van art. 359a Sv heeft het Hof het door dit verzuim veroorzaakte nadeel voldoende gecompenseerd geacht door vermindering van de op te leggen straf. De Hoge Raad verwerpt het beroep.