ECLI:NL:HR:2001:AA9434 (Arena-arrest)

Arena-arrest, 12 januari 2001,
(ECLI:NL:HR:2001:AA9434)

Essentie
Aansprakelijkheid werkgever voor ongevalschade werknemer op grond van redelijkheid en billijkheid.

Rechtsregel
Onder omstandigheden kan een werkgever op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aansprakelijk zijn voor de schade van een werknemer, ook al is niet aan de vereisten van artikel 7:658 BW voldaan. Een werkgever was in beginsel al aansprakelijk voor schade die door de werknemer in het kader van het werk gebruikte eigen auto wordt geleden. Bij analoge toepassing wordt de werkgever in deze zaak ook aansprakelijk geacht voor de niet door een verzekering gedekte, door de werknemer door een ongeval geleden schade met een dienstauto.

Als gevolg van dit arrest is de WEGAS-verzekering door vele werkgevers afgesloten. Deze verzekering biedt dekking voor de aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap, redelijkheid en billijkheid) voor schade die een werknemer die bestuurder is van een auto lijdt als hij in de uitvoering van zijn werkzaamheden een ongeluk veroorzaakt.

Inhoud arrest
Van der Hoeven gaat in oktober 1992 werken bij Vonk. In augustus 1995 wordt hij samen met een collega uitgeleend aan het bedrijf Vink Daklicht B.V. (hierna: Vink) wat in Didam zit. Dit bedrijf verricht montagewerkzaamheden aan de Amsterdam Arena. Van der Hoeven en zijn collega krijgen samen met twee andere collega’s van Vink een bestelbusje om de rit van Didam naar Amsterdam te maken. Om de beurt besturen de vier collega’s het busje.

Op 23 augustus 1995 bestuurt Van der Hoeven het busje op de terugweg naar Didam. Het busje komt met de linkerwielen naast de linkerrijstrook in de middenberm terecht. Het raakt in een slip en slaat meerdere keren over de kop. De vier collega’s raken gewond. Van der Hoeven loopt ernstig rugletsel op.

Van der Hoeven kan zijn schade niet claimen bij de WA-verzekering, omdat hij de bestuurder én de veroorzaker van het ongeluk was. Vink heeft een collectieve ongevallenverzekering, waaruit Van der Hoeven fl. 5.685,- krijgt. Verder krijgt hij fl. 15.000,- van de ongevallenverzekering van het leasebedrijf van het busje.

De arbeidsovereenkomst tussen Van der Hoeven en Vonk wordt beëindigd. Sinds 1 januari 1997 werkt Van der Hoeven in Duitsland. Hij ondervindt blijvende hinder aan de gevolgen van het ongeluk.

Van der Hoeven stelt Vonk aansprakelijk. Primaire op grond dat niet is voldaan aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW, subsidiair aangezien het zou vervloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid dat Vonk zijn schade moet betalen.

De kantonrechter oordeelt in het vonnis van 25 augustus 1997 dat Vonk aansprakelijk is op grond van de primaire grondslag. Vonk gaat in hoger beroep.

De rechtbank oordeelt in het vonnis van 10 december 1998 anders en stelt dat Vonk aansprakelijk is op grond van de subsidiaire grondslag. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende:

  • Van der Hoeven was verplicht dagelijks met de auto te reizen tussen Didam en Amsterdam;
  • hij was ook verplicht om bij toerbeurt de bestuurder te zijn;
  • voor de anderen waren de financiële gevolgen gedekt door de WA-verzekering, voor hem niet;
  • er was geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid aan het ongeluk;
  • het ‘ervaringsfeit’ dat de dagelijkse omgang met auto’s ervoor zorgt dat de bestuurder niet steeds alle voorzichtigheid in acht neemt die ter voorkoming van ongevallen nodig is.
  • Vonk gaat in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt Vonk in de kosten van het geding.

Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat het onaanvaardbaar is dat Van der Hoeven zijn schade niet vergoed krijgt, enkel omdat hij de bestuurderd was.

Vonk gaat in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt Vonk in de kosten van het geding.