ECLI:NL:HR:2000:AA7480 (Rainbow-arrest)

Rainbow-arrest, HR 13 oktober 2000
(ECLI:NL:HR:2000:AA7480)

Essentie
Misbruik van het identiteitsverschil tussen rechtspersonen wordt in de regel aangemerkt als een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De verplichting tot schadevergoeding rust in dat geval niet alleen op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf. De Hoge Raad is zeer terughoudend met het aannemen van vereenzelviging van rechtspersonen.

Rechtsregel
Door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, kan misbruik worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen. Hetgeen dat met zodanig misbruik wordt beoogd, behoeft in rechte niet te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.

Inhoud arrest
De Belastingdienst heeft een vordering op Démarrage BV wegens openstaande belastingschulden. In tussentijd is Démarrage failliet gegaan, waardoor verhaal van de vordering niet meer mogelijk is. Inmiddels heeft Rainbow Ltd de activiteiten van Démarrage gecontinueerd door middel van een bedrijfsovername inclusief alle klanten, de handelsnaam, het adres, factureringsgegevens, etc. De Belastingdienst is van mening dat Rainbow gezien kan worden als een verschijningsvorm van Démarrage en legt daarom beslag ten laste van Rainbow om de vordering op Démarrage alsnog voldaan te krijgen. Rainbow vordert vervolgens in een kortgedingprocedure opheffing van het beslag.

De rechtbank oordeelt dat de vraag of Rainbow als verschijningsvorm met Démarrage dient te worden vereenzelvigd en of sprake is van omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen van het uitgangspunt dat de zelfstandigheid van een rechtspersoon voorop staat, voorshands bevestigend moet worden beantwoord, en dat niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat er sprake is van vereenzelviging, waardoor de Belastingdienst in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Rainbow bestrijdt dit oordeel in cassatie, en stelt dat het hof heeft miskend dat vereenzelviging van twee rechtspersonen slechts onder zeer bijzondere omstandigheden mag worden aangenomen en dat de door het hof genoemde omstandigheden daartoe niet kunnen volstaan.

De Hoge Raad stelt voorop dat, zoals het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik wordt beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.

Het door het hof geconstateerde misbruik bestaat hierin dat de directeur van Rainbow en Démarrage met het beëindigen van de activiteiten van Démarrage en het voortzetten van dezelfde activiteiten door Rainbow, naar het oordeel van het hof geen ander oogmerk had dan de Belastingdienst als crediteur te benadelen en wel door het frustreren van verhaal van de Belastingdienst op het vermogen van Démarrage. Een dergelijke op benadeling van een bepaalde crediteur gerichte handelwijze is onrechtmatig jegens deze crediteur en verplicht dan ook de (rechts)personen die voor deze handelwijze verantwoordelijk zijn, tot vergoeding van de schade welke die crediteur als gevolg daarvan lijdt. Dit betekent echter niet dat de omvang van deze schade zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan men het verhaal wilde frustreren. Reeds hierom is een vereenzelviging als door het hof in het onderhavige geval voor mogelijk wordt gehouden een vorm van redres die te ver gaat. Het hof heeft dit miskend en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.