ECLI:NL:HR:2000:AA4276 (Boonen / Quicken)

Boonen / Quicken, 14 januari 2000
ECLI:NL:HR:2000:AA4276

Essentie
Artikel 12 Wet op de CAO: een beding in een arbeidsovereenkomst is nietig als het in strijd is met een cao waaraan beide partijen gebonden zijn en tevens in strijd met de rechtszekerheid.

Rechtsregel
Op grond van artikel 12 Wet op de CAO is elk beding in een arbeidsovereenkomst nietig wanneer dat strijdig is met een cao waaraan partijen gebonden zijn. Dit is ook zo als het een minimum-cao is. De rechtbank had, nu Boonen zich erop beriep dat de cao gold, niet de bepaling in de arbeidsovereenkomst over het salaris en het overwerk als één geheel mogen beschouwen en op grond daarvan mogen besluiten dat de regeling in de arbeidsovereenkomst gunstiger is dan de cao-bepaling. Dit mocht niet, omdat het dan van het feitelijk gewerkte aantal overuren zou afhangen of de bepaling in de arbeidsovereenkomst de ene maand wel en de andere maand niet het gunstigste is voor Boonen. Dat is in strijd met de rechtszekerheid.

Inhoud arrest
Quicken heeft een cateringservicebedrijf. Per 1 mei 1994 is Boonen bij hem in dienst getreden. De rechtbank ontbindt deze overeenkomst et ingang van 1 oktober 1995. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat op de overeenkomst de bepalingen van de cao van het Horecabedrijf van toepassing zijn. Boonen werkte 38 uur per week. In artikel 5 van de overeenkomst is opgenomen dat uren die Boonen meer werkt niet als overuren worden aangemerkt.

Bij de Hoge Raad vordert Boonen betaling van ƒ 5.940,64, omdat hij 122,5 overuren heeft gemaakt die krachtens de cao op 150% vergoed moeten worden. Daarbij heeft Boonen, gelet op artikel 6 en 7 van de cao, alleen vergoeding gevraagd van de uren die 45 uur per week te boven gingen. Quicken voert daartegen aan dat Boonen een veel hoger salaris kreeg dan in de cao stond, zodat partijen bewust van de cao zijn afgeweken en niet de cao maar hetgeen samen is overeengekomen geldt. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de gewerkte uren boven de 38 uur per week geen overuren zijn.

De zaak vangt aan met een dagvaarding jegens Quicken voor de kantonrechter en vordert een betaling aan hem van ƒ 9.771,66 bruto aan achterstallig salaris te vermeerderen met de wettelijke overhevelingstoeslag en de wettelijke verhoging, alsmede ƒ 1.546,46 netto aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente. Quicken bestrijdt de vordering. Bij conclusie van repliek vermeerdert Boonen zijn eis met ƒ 1.002,45 ter zake van prijscompensatie vanaf 1 januari 1995. De kantonrechter veroordeelt Quicken bij vonnis om aan Boonen ƒ 10.774,11 bruto te betalen te vermeerderen met ƒ 2.693,53 wegens wettelijke verhoging en ƒ 1.546,46 wegens buitengerechtelijke incassokosten tezamen met de wettelijke rente.

Quicken stelt hoger beroep in. Bij tussenvonnis laat de rechtbank Quicken tot bewijslevering toe. Bij eindvonnis vernietigt de rechtbank het vonnis van de kantonrechter vernietigd en veroordeelt Quicken ƒ 4.833,47 bruto, te vermeerderen met ƒ 1.208,37 wegens wettelijke verhoging en ƒ 906,28 wegens buitengerechtelijke incassokosten aan Boonen te betalen te vermeerderen met wettelijke rente.

De rechtbank overweegt dat als een hoger salaris voor Boonen gunstiger is dan het cao-salaris met de overurenvergoeding het toegestaan is om op dit punt in het voordeel van Boonen van de cao af te wijken. De rechtbank stelt vast dat Boonen ongeveer 20 uur per maand heeft overgewerkt. Bij de naleving van de cao en het maximale loon zou Boonen daardoor een lager loon hebben gehad dan op grond van de arbeidsovereenkomst. Partijen mochten dus afwijken van de cao.

De Hoge Raad vernietigt de vonnissen en verwijst het geding naar het Hof in Den Bosch voor verdere behandeling en beslissing. Quicken wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.