ECLI:NL:HR:1999:ZD1652 (Spontane bekentenis II)

Spontane bekentenis II, HR 9 november 1999, NJ 2000, 40

Essentie

De verdachte in deze zaak bestuurde een auto zonder autogordel. Hij kreeg een volgteken van de politie. De verdachte reed met hoge snelheid weg, maar de verbalisanten wisten hem na een lange achtervolging aan te houden. De verdachte riep toen spontaan dat hij twee kilo speed in zijn auto had liggen.

Rechtsregel

Uiteraard was hier de vraag of er sprake was van een politieverhoor en of de verbalisanten cautie hadden moeten aanzeggen alvorens de verdachte te verhoren. De Hoge Raad oordeelde dat gekeken moet worden naar het moment waarop de vragen aan de verdachte werden gesteld. De verdachte werd namelijk ondervraagd, nadat hij reeds was aangehouden. De vragen die de opsporingsambtenaar in kwestie aan de verdachte stelde, betroffen zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. Direct na de aanhouding hadden de verbalisanten cautie moeten aanzeggen.

Inhoud arrest

De verdachte in casu bestuurde een auto zonder autogordel. Hij kreeg een volgteken van de politie. In beginsel werkte hij mee en reed achter de politieauto aan. Ondertussen vroeg de politie de kentekengegevens van de auto op. De agenten kregen te horen dat de auto van deze verdachte niet was verzekerd. Op een gegeven moment reed de verdachte met hoge snelheid weg en ontstond er een achtervolging.

Uiteindelijk werd de auto aan de kant gezet en werd de verdachte medegedeeld dat hij was aangehouden voor het rijden in een onverzekerde auto. Op de vraag waarom hij was doorgereden, antwoordde de verdachte dat hij twee kilo speed in de auto had liggen. Na het doorzoeken van de auto kwamen de agenten inderdaad een plastic tas met speed tegen.

Het hof vond dat de mededeling van verdachte omtrent de verdovende middelen een spontane mededeling was en dat er op dat moment geen sprake was van een verhoor als bedoeld in art. 29 Sv. Verder achtte het hof niet bewezen dat de verbalisanten geweld hadden gebruikt tegen de verdachte of anderszins hadden geprobeerd om een verklaring af te dwingen. Tot slot vond het hof dat de auto was doorzocht met toestemming van de verdachte en ook al zou hij geen toestemming hebben verleend, waren de politieambtenaren daartoe gerechtigd op basis van art. 9 Opiumwet, omdat ze op grond van de spontane mededeling van de verdachte redelijkerwijs konden vermoeden dat in de auto verdovende middelen lagen.

De Hoge Raad oordeelde echter anders. De beslissing van het hof was volgens de Hoge Raad onjuist. Er was namelijk nog geen sprake van een verhoor als bedoeld in art. 29 Sv. Nadat de verdachte was aangehouden voor onverzekerd rijden, moest onmiddellijk cautie worden aangezegd. De verdachte werd namelijk ondervraagd naar zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit.

De uitspraak van het hof kon derhalve niet in stand blijven en werd vernietigd en verwezen naar het hof van Arnhem.