ECLI:NL:HR:1999:ZC2849 (Schoenmaker)

Schoenmaker, 12 februari 1999
ECLI:NL:HR:1999:ZC2849 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl)

Essentie
Ontslag op staande voet. Bij de beoordeling van de dringende reden moet worden betrokken of de gevolgen van de werknemer niet te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging.

Rechtsregel
De rechtbank had bij de beoordeling of sprake was van een dringende reden, de persoonlijke omstandigheden van de werknemer moeten afwegen tegen het belang van de werkgever en de aard en de ernst van gedraging. Dit heeft de rechtbank niet gedaan, waardoor het oordeel dat sprake is van een dringende reden, onvoldoende is gemotiveerd.

Als een afweging is gemaakt tussen deze belangen en de conclusie wordt getrokken dat toch sprake is van een dringende reden, dan is het ontslag niet kennelijk onredelijk. Er is dan ook geen verplichting tot schadevergoeding. Nu de persoonlijke omstandigheden niet zijn betrokken, kan dit oordeel niet gegeven worden.

Inhoud arrest
De heer X gaat in juni 1979 werken bij een bedrijf. Hij heeft verschillende functies, uiteindelijk krijgt hij de functie van chef afdeling orthopedische schoentechniek.

Op 30 augustus 1994 maakt de dochter van de directeur tegen de heer X een opmerking over het feit dat hij te lang koffiepauze heeft genomen. De heer X scheldt de dochter uit, waarna zij hem thee in zijn gezicht gooit. Daarna zet de heer X de dochter in een houdgreep de deur uit. De vrouw van de directeur komt later om uitleg vragen bij de heer X. Zij heeft daarbij een hamer in haar hand, maar legt deze weer weg. De heer X slaat de vrouw daarna met de steel van de hamer op haar hand.

De huisarts van de vrouw verklaart dat de vrouw forse kneuzingen aan haar rechteronderarm, -pols en -bovenarm heeft. De heer X wordt nog dezelfde dag op staande voet ontslagen.

Bij beschikking van 6 februari 1995 ontbindt de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst tussen hem en de heer X, met ingang van die datum vanwege de dringende reden voor het ontslag op staande voet. Een reguliere opzegtermijn bij ontslag zou drie maanden bedragen.

De heer X dagvaardt het bedrijf bij exploot van 24 februari 1995 voor de kantonrechter en stelt dat het ontslag onrechtmatig en kennelijk onredelijk is. Hij vordert een schadeloosstelling van bijna fl. 15.000,- bruto (drie maanden salaris), een bedrag van bijna fl. 8.000,- bruto als vergoeding voor de niet-openomen vakantiedagen en fl. 134.316,- bruto als schadevergoeding aan buitengerechtelijke incassokosten. De werkgever dient een verweerschrift in.

De kantonrechter veroordeelt het bedrijf bij vonnis van 27 maart 1996 aan de heer X een bedrag te betalen van ruim fl. 22.000,- bruto en daarnaast een bedrag van fl. 50.000,- wegens kennelijk onredelijk ontslag. De werkgever gaat in hoger beroep.

Bij vonnis van 7 mei 1997 bekrachtigt de rechtbank het vonnis van de kantonrechter.

De wekgever gaat in cassatie. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof in Amsterdam.