ECLI:NL:HR:1999:ZC2842 (Ameva / Van Venrooij)

Ameva / Van Venrooij, 5 februari 1999
ECLI:NL:HR:1999:ZC2842 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)

Essentie
Misbruik van omstandigheden omdat de werkgever had moeten begrijpen dat de werknemer nooit zou instemmen met de overeenkomst, als hij zich hierop had kunnen voorbereiden en toch gevolgen heeft verbonden aan de ondertekening.

Rechtsregel
Er is sprake van misbruik van omstandigheden als (1) de werkgever wist of had moeten begrijpen dat de werknemer door bijzondere omstandigheden (zoals onervarenheid of afhankelijkheid) de overeenkomst heeft getekend en (2) hij gevolgen heeft verbonden aan deze ondertekening, terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat hij dit niet kon doen.

In dit geval is er sprake van misbruik van omstandigheden omdat de ongelijkwaardige positie van partijen ertoe heeft geleid dat de werknemer een voor hem nadelige beslissing heeft genomen, die hij niet genomen zou hebben als hij voorbereid was geweest. De werkgever had dit moeten begrijpen. Er is hiervoor geen uitdrukkelijk beroep op deze grond en ook geen nadeel vereist.

Inhoud arrest
Van Venrooij gaat per 1 oktober 1990 werken voor Ameva als chef montage. Op 30 november 1993 vindt er een gesprek plaats tussen drie vertegenwoordigers van Ameva en Van Venrooij. De medewerkers vertellen Van Venrooij dat ze zijn dienstverband willen beëindigen. Van Venrooij tekent tijdens dat gesprek een verklaring waardoor hij akkoord gaat met beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met doorbetaling van loon tot en met januari 1994 en betaling van een extra bedrag van fl. 4500,-.

Een paar dagen later is Van Venrooij het toch niet eens met de beëindiging. Hij verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog bestaat, te ontbinden. Bij beschikking van 30 maart 1994 ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 15 april 1994 en kent aan Van Venrooij een vergoeding toe van fl. 12.500,-.

Daarna dagvaardt hij Ameva voor de kantonrechter en vordert Ameva te veroordelen tot betaling van loon over de periode 1 februari 1994 tot 15 april 1994 en betaling van het bedrag van fl. 12.500,-. Ameva bestrijdt de loonvordering en vordert een terugbetaling door Van Venrooij van fl. 4500,-. Van Venrooij bestrijdt deze vordering. De kantonrechter veroordeelt Ameva bij vonnis van 22 juni 1995 een bedrag te betalen aan Van Venrooij van fl. 12.015,- bruto minus fl. 4550,- netto, met de wettelijke rente hierover. Het overige wordt afgewezen. De kantonrechter overweegt dat Ameva de verklaring niet direct had moet laten tekenen, maar hem had moeten meegeven en hem een termijn moeten geven voor ondertekening. Nu dat niet is gebeurd, mag Ameva niet uitgaan van een beëindiging met wederzijds goedvinden.

Van Venrooij gaat in hoger beroep. Ameva stelt incidenteel hoger beroep in. De rechtbank bekrachtigt bij vonnis van 30 mei 1997 het vonnis van de kantonrechter. Daaraan legt de rechtbank ten grondslag dat de ondertekening van de verklaring een duidelijke en ondubbelzinnige handeling is waaruit zijn instemming met de beëindiging blijkt. Toch worden de gronden van Ameva verworpen, omdat er sprake is van misbruik van omstandigheden.

Van Venrooij gaat in cassatie en vordert het loon over de periode 1 februari tot 15 april 1994. Hij stelt dat er bij hem sprake was van een wilsgebrek bij het ondertekenen van de overeenkomst, waardoor hij hieraan niet kan worden gehouden. De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt Ameva in de kosten van het geding.