ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin)

Portacabin, HR 31 oktober 1997
(ECLI:NL:HR:1997:ZC2478)

Door Julia Verschoor

Essentie
Een gebouw kan onroerend zijn (art. 3:3 BW), doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.

Rechtsregel
Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Hierbij is het niet van belang of het technisch gezien mogelijk is om het gebouw te verplaatsen. Of een gebouw bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, hangt onder meer af van de bedoeling van de bouwer. Het met de grond verenigd zijn kan dus een fysieke verbinding zijn, maar ook voortvloeien uit de bestemming. Hierbij is van belang wat er voor derden kenbaar is. De Hoge Raad oordeelt verder nog dat de verkeersopvattingen geen zelfstandige maatstaf zijn voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is. De verkeersopvattingen zijn echter wel een zelfstandig criterium voor bepaling van de vraag of een zaak bestanddeel is van een andere zaak (zie art. 3:4 BW)[1]. Dit kan wel meegenomen worden in de beslissing indien er discussie bestaat of een zaak duurzaam of verenigd is.

Inhoud arrest
Op het aan Buys toebehorende perceel grond was een portacabin van tien bij vijftien meter geplaatst naast een gebouw dat zich ook op het perceel grond bevond. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet, de riolering en het telefoonnet en werd in 1990 als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen. Op 3 december 1990 versterkt de Rabobank kredieten aan Buys waarbij een recht van hypotheek op het bedrijfsterrein en een bij notariële akte gevestigd pandrecht als onderpand dient. Nadat tussen Buys en Rabobank problemen ontstaan, heeft Rabobank gebruik gemaakt van de verleende bevoegdheid krachtens art. 3:268 BW om het goed te doen verkopen.

Op 1 april 1997 heeft de Ontvanger ten laste van een door Buys opgerichte vennootschap executoriaal beslag laten leggen op de roerende zaken die zich in het pand van Buys bevonden. Door de deurwaarder is toen mede beslag gelegd op de portacabin als ware het een roerende zaak. Vervolgens heeft Buys voor de datum van de openbare verkoop, met toestemming van de Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht. Rabobank komt hier achter en vordert in het geding dat voor recht zal worden verklaard dat de portacabin onder haar recht van hypotheek op het bedoelde perceel valt. De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat de portacabin roerend is nu het niet in de zin van art. 3:3 BW duurzaam met de grond verenigd was.

Het Hof heeft bepaald dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven, terwijl deze bedoeling van Buys naar buiten kenbaar was. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het Hof de vermelde maatstaven geenszins miskent. Daarnaast heeft het zijn bevestigende beantwoording van de vraag of de portacabin onroerend was niet begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad verwerpt het beroep en stelt dat de portacabin als onroerend aangemerkt moet worden.

[1] HR 15 november 1991, NJ 1993, 316 (Dépex – Curatoren van Bergel e.a.)