ECLI:NL:HR:1997:ZC2286 (Wrongful Birth)

Wrongful Birth, Hoge Raad 21 februari 1997
(ECLI:NL:HR:1997:ZC2286)

Door Julia Verschoor

Essentie
Indien een arts een medische fout maakt, die hem toe te rekenen valt, is hij aansprakelijk voor alle vermogensschade die in zodanig causaal verband staat met die fout. In dit arrest wordt omschreven wat er precies wordt verstaan onder het begrip vermogensschade.

Rechtsregel
De kosten voor verzorging en opvoeding van een kind kunnen aangemerkt worden als vermogensschade waarvoor een arts bij een medische fout aansprakelijk kan zijn. Indien de vrouw door de zwangerschap en de geboorte van het kind inkomsten mist, kan dit ook aangemerkt worden als vergoedbare schade.

Inhoud arrest
De vrouw (eiseres) is vanaf 1984 onder behandeling bij een gynaecoloog (verweerder) voor het plaatsen van een spiraaltje. Tijdens een operatie twee jaar later heeft de arts het spiraaltje verwijderd. De arts is hierbij echter vergeten om een nieuw spiraaltje te plaatsen. Hierdoor raakt de vrouw in 1986 zwanger. De arts erkent dat het niet opnieuw plaatsen van een nieuw spiraaltje aangemerkt kan worden als een medische fout. De vrouw en haar echtgenoot hadden om verschillende redenen ‘zeer uitdrukkelijk het besluit genomen niet meer kinderen te willen hebben’. Doordat de arts dit vergeten is, eist de vrouw onder andere ruim ƒ200.000,- loonderving ten gevolge van verminderd arbeidsvermogen en opvoedingskosten. Daarnaast eist zij nog een immateriële schadevergoeding van ƒ25.000,-.

Het Hof oordeelt in incidenteel appel dat de kosten van verzorging en opvoeding slechts in bijzondere omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komen. Het Hof verwijst de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen om zich hierover uit te laten. Het Hof oordeelt uiteindelijk dat de loonderving en immateriële schade niet voor toewijzing vatbaar zijn.

‘Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de zwangerschap van de vrouw en de geboorte van het kind zijn veroorzaakt door tekortschieten van de arts in de nakoming van een op hem rustende verbintenis. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat niet van de vrouw kon worden gevergd dat zij ter voorkoming van de door haar gestelde schade gebruik zou maken van de mogelijk de door haar niet gewenste zwangerschap te doen afbreken of het kind na de geboorte aan een derde af te staan’.

Het Hof stelt dat kosten voor verzorging en opvoeding niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking komen middels het begrip vermogensrecht. Het Hof moet hier beoordelen of er voldoende grond bestaat om die kosten aan te merken als rechtens voor vergoeding in aanmerking komende schade.

De Hoge Raad stelt dat, in verband met de artikelen 6:74, 6:96 en 6:98 BW, dit met zich mee brengt dat de arts aansprakelijk is voor alle vermogensschade die in zodanig causaal verband staat met die fout. ‘Voor een dergelijke toerekening is in beginsel voldoende dat door de desbetreffende fout een risico is geschapen, dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt’. De schade waarvan vergoeding in aanmerking komt, bestaat uit kosten waarvan wegens hun omvang moet worden aangenomen dat zij gedurende de minderjarigheid van het kind de financiële positie van het gezin zullen bepalen.

Met betrekking tot de materiële schade oordeelt de Hoge Raad dat er geen plaats is voor de opvatting dat het kind zelf als schade of schadefactor moet worden gezien. Het gaat uitsluitend om vergoeding voor de extra last die als gevolg van de fout ontstaat.