ECLI:NL:HR:1997:ZC2238 (Valkenhorst II)

Valkenhorst II, 3 januari 1997
ECLI:NL:HR:1997:ZC2238 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)

Essentie
Vervolg op Valkenhorst I. Moeder voldoet niet aan opdracht van de rechtbank/het hof om de gegevens over de vader bekend te maken. Bewijslast.

Rechtsregel
Het hof mocht op grond van de proceshouding van de moeder, die inhield dat ze pas in hoger beroep informatie heeft gegeven over de verwekking van haar dochter, oordelen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze niet in staat was de gevraagde informatie te geven. Nu zij dit in hoger beroep alsnog heeft verteld, mocht van haar verlangd worden dat zij direct alle informatie alsnog zou geven of zou onderbouwen waarom zij deze informatie niet kon geven. Het is dan aan het hof om aan te geven welke stukken van haar mochten worden verlangd. Op de dochter rust niet de bewijslast om de onjuistheid van de door de moeder aangevoerde stellingen te bewijzen.

Inhoud arrest
Een meisje (hierna: verweerster) wordt op 11 september 1945 geboren in ‘Moederheil’. Dit is een rooms-katholieke inrichting voor zorg aan ongetrouwde moeders en hun kinderen. Deze inrichting heet inmiddels Valkenhorst. Zij is erkend door de echtgenoot van haar moeder, hoewel hij niet haar vader is.

Verweerster stelt dat haar moeder, ondanks vele verzoeken, weigert te vertellen wie haar natuurlijke vader is. Zij dagvaart haar moeder bij exploot van 14 april 1992 voor de rechtbank en vordert haar moeder te veroordelen om haar de naam en nationaliteit van haar vader te geven, onder verbeuring van een dwangsom van 250 gulden per dag. De moeder bestrijdt de vordering.

Bij tussenvonnis van 17 mei 1994 stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid hun stellingen aan te vullen op grond van het arrest Valkenhorst I. De moeder beroept zich op haar recht op privacy. Verweerster stelt dat zij inmiddels haar gegevens heeft mogen inzien bij Valkenhorst, maar dat hierin geen gegevens over haar vader zijn opgenomen. Hierna stelt de moeder dat de vordering moet worden afgewezen, omdat niet vaststaat dat zij wist wie de verwekker was en dat zij op grond van haar recht op privacy niet gehouden is de informatie voor zover zij die had, aan haar dochter te vertellen. Zij wil het wel aan een derde vertellen, als die het geheim houdt voor haar dochter.
Bij eindvonnis van 15 november 1994 wijst de rechtbank de vordering van verweerster toe.

De moeder gaat in hoger beroep en stelt dat zij eind 1944 is verkracht door meerdere personen die zij niet kende. Ze weet daarom ook niet wie de vader van verweerster is. Ze stelt dat ze dit, juist uit zorg voor haar dochter, niet heeft willen vertellen. Nu ze alles heeft verteld wat ze weet, moet volgens de moeder de vordering worden afgewezen. Het hof volgt de moeder hierin niet en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank bij arrest van 28 juli 1995.

Vervolgens gaat de moeder in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het beroep.