ECLI:NL:HR:1996:ZD0429 (Pikmeer I-arrest)

Pikmeer I, HR 23 april 1996, NJ 1996, 513

Essentie

Het Pikmeerarrest van de Hoge Raad behelst twee opeenvolgende arresten. Deze arresten gaan over provinciale en gemeentelijke handelingen en over de vraag of deze instanties strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.

Dit eerste arrest gaat over een gemeente in Friesland die illegaal vuil stortte in het Pikmeer. De ambtenaar die verantwoordelijk was, werd strafrechtelijk vervolgd en in eerste aanleg veroordeeld. Het vonnis van de rechtbank werd door het hof bekrachtigd. De Hoge Raad vond echter dat de ambtenaar niet strafbaar was, dus werd de uitspraak vernietigd en terug verwezen naar het hof.

Rechtsregel

De vraag was hier of een ambtenaar van de gemeente strafrechtelijk kon worden vervolgd voor handelingen die hij deed in uitoefening van zijn functie. De Hoge Raad antwoordde ontkennend.

De Hoge Raad oordeelde dat gemeentes en provincies niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, als zij een strafbaar feit plegen bij de uitvoering van de aan hen opgedragen taken.

De ambtenaar was niet vervolgbaar “indien de gemeente als openbaar lichaam in de zin van hoofdstuk 7 van de Grondwet en optredende ter vervulling van een bestuurstaak zelf niet vervolgbaar was: het een was nauw met het ander verbonden”. Omdat voor andere openbare lichamen dan die genoemd in hoofdstuk 7 van de Grondwet geen vervolgingsbeletsel bestaat, bestaat dit dus ook niet door feitelijke leidinggevenden.

Inhoud arrest

De gemeente Boarnsterhim had de opdracht gegeven om het vaarwater van de Groundam uit te baggeren. De baggerspecie die uit het vaarwater werd gehaald, werd in het Pikmeer gedumpt. Deze illegale lozing van afval was voor de provincie uitermate kostenbesparend. De ambtenaar van de gemeente die de opdracht tot lozing had gegeven, werd strafrechtelijk vervolgd.

Zowel de rechtbank als het hof achtten de ambtenaar strafbaar, maar in cassatie werd hij door de Hoge Raad ontzien vanwege zijn functie. Omdat hij, volgens de Hoge Raad, handelde in het algemeen belang, kon hij niet strafrechtelijk worden vervolgd. Tevens was de Hoge Raad van mening dat de taak van het controleren van de overheid niet bij de rechter moest liggen, maar bij de aangewezen instanties, zoals de gemeenteraad of de Algemene Rekenkamer.

In de Tweede Kamer ontstond destijds veel ophef over het Pikmeerarrest. De Tweede Kamer vond het arrest onacceptabel en wilde dat de mogelijkheid bleef bestaan om decentrale overheden zich voor de rechter te laten verantwoorden. In de Kamer vroeg men zich af of het handelen van de gemeente Boarnsterhim in casu wel als ‘overheidshandelen’ moest worden gezien, of was het illegaal dumpen van het slib puur ‘bedrijfsmatig handelen’?