ECLI:NL:HR:1996:ZD0139 (Porsche-arrest)

Porsche-arrest, HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199

Essentie

Dit arrest gaat over de grens tussen voorwaardelijke opzet en bewuste culpa. De verdachte in deze zaak zat met te veel alcohol op achter het stuur en reed met onverantwoorde snelheid. Er ontstond een frontale botsing en vijf mensen kwamen om het leven. De bestuurder  (hierna: verdachte) overleefde het ongeluk. Aan de verdachte wordt primair doodslag (art. 287 Sr) ten laste gelegd en subsidiair dood door schuld in het verkeer (art. 36 WVW (oud), thans art. 6 WVW 1994).

De ingewikkelde vraag in deze zaak was of hier sprake was van voorwaardelijke opzet of bewuste culpa. Heeft de bestuurder willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard, dat door zijn gedrag mensen om het leven zouden kunnen komen (dus doodslag)? Of is de man onvoorzichtig of roekeloos geweest, zodat er sprake is van culpa (wat dood door schuld oplevert)?

 

Rechtsregel

De vraag die in dit arrest centraal stond, was: is er sprake van voorwaardelijke opzet? De Hoge Raad vond van niet. In hoger beroep werd de verdachte veroordeeld wegens doodslag, waarbij het Hof voorwaardelijke opzet bewezen achtte. In cassatie werd de uitspraak van het hof vernietigd. De Hoge Raad was van mening, omdat de verdachte de eerste paar inhaalpogingen had afgebroken, dat hij zich bewust was van het risico op een aanrijding en dat hij het risico kennelijk niet heeft aanvaard. Hij bleef volgens de Hoge Raad geloven in een goede afloop.

 

Inhoud arrest

De verdachte rijdt – tezamen met een passagier – in zijn Porsche op de openbare weg, terwijl hij onder invloed van alcohol is. Hij begaat een aantal gevaarlijke verkeersovertredingen. De maximumsnelheid wordt overschreden met ruim 50 km/u en rode verkeerslichten worden genegeerd. Op een tweebaansweg wil de verdachte een ander voertuig inhalen. Omdat er steeds tegenliggers zijn, breekt hij zijn inhaalmanoeuvres keer op keer af. Op een gegeven moment zet hij door, met fatale gevolgen. De Porsche komt frontaal in botsing met een tegemoetkomende auto. De vier inzittenden van deze auto komen allemaal om het leven, alsmede de passagier in de Porsche. De verdachte overleefde het ongeluk en werd vervolgd.

 

Het hof overwoog in hoger beroep:

“Door de raadsman van verdachte is, kort samengevat, betoogd dat de bestuurder van de Porsche niet het opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad de slachtoffers te doden.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende:

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat er met de Porsche kort voor de aanrijding met hoge snelheid is gereden, dat er twee maal door rood licht is gereden, dat er zich gevaarlijke inhaalmanoeuvres hebben voorgedaan en dat verdachte kort tevoren alcoholhoudende drank had gedronken. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door op voormelde wijze aan het verkeer deel te nemen zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat andere verkeersdeelnemers ten gevolge van zijn handelwijze van het leven zouden worden beroofd zodat zijn opzet – in de zin van voorwaardelijk opzet – op die levensberoving betrekking had.”

 

De Hoge Raad oordeelde echter anders:

“5.4. In gevallen als het onderhavige, dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechter evenwel in zijn oordeel te betrekken dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.

5.5. Gelet op het evenoverwogene en in aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte meermalen – kennelijk om een botsing te vermijden – een ingezette inhaalmanoeuvre heeft afgebroken vooraleer de in de bewezenverklaring bedoelde fatale inhaalmanoeuvre uit te voeren, hetgeen er op wijst dat althans in de voorstelling en naar de verwachting van de verdachte laatstbedoelde manoeuvre niet tot een botsing zou leiden, behoeft de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover daarbij is aangenomen dat verdachtes opzet was gericht op de dood van de slachtoffers, nadere motivering.

5.6. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.”