ECLI:NL:HR:1996:ZC2235 (Aegon / BMA)

Hoge Raad, 20 december 1996, algemene slotvraag
(ECLI:NL:HR:1996:ZC2235)

Essentie

Beoordeling beroep op verzwijging of verkeerde opgave ex artikel 251 K (oud) indien verzekering is gesloten op basis van een door de directeur van verzekeringnemer ingevulde vragenlijst.

Rechtsregel

Uit een algemene slotvraag kan geen mededelingsplicht voor een verzekeringnemer voortvloeien als die naar waarheid/ juistheid is ingevuld.
Indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst dient bij beoordeling van de vraag of de verzekeraar een beroep op de vernietigingsgrond van art. 251 K toekomt, het volgende tot uitgangspunt te worden genomen:

  1. De verzekeringnemer mag een door de verzekeraar voorgelegde vraag opvatten naar de zin die de verzekeringnemer daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen.
  2. De verzekeraar kan zich niet erop beroepen dat feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.
  3. Heeft de verzekeraar vóór het aangaan van de verzekering mededeling gevraagd van feiten die een ander dan de verzekeringnemer betreffen, dan is deze gehouden de desbetreffende vragen volledig en naar waarheid te beantwoorden; heeft de verzekeraar niet gevraagd naar feiten die een ander dan de verzekeringnemer betreffen, dan is de hiervoor onder (2) vermelde regel van toepassing.
  4. Van het geval dat mededeling wordt gevraagd van feiten die een ander dan de verzekeringnemer betreffen, moet worden onderscheiden het geval dat iemand als bestuurder en aandeelhouder een zodanige zeggenschap heeft in de vennootschap die de verzekeringnemer is, dat hij met die vennootschap moet worden vereenzelvigd en dat de verzekeringnemer op die grond had moeten begrijpen dat de vragen mede op de feiten betreffende deze persoon en de eventueel door hem beheerste vennootschappen betrekking hadden. Of dit zich voordoet, wat niet snel zal mogen worden aangenomen, zal van de omstandigheden van het geval afhangen. De omstandigheid dat iemand zowel bestuurder als aandeelhouder is, is daartoe in ieder geval onvoldoende.

Inhoud arrest

In juli 1991 hebben verzekeringsmaatschappij Aegon Schadeverzekering N.V. (hierna Aegon) en B.V. Beheer en Exploitatiemaatschappij B.M.A. (hierna BMA) een opstalverzekering afgesloten, n.a.v. een aanvraag gedaan op een van Aegon afkomstig formulier, waarbij Aegon de opstal van het gebouw heeft verzekerd tegen brand. De verzekerde som was ƒ 20 000 000, terwijl onder de dekking tevens bedrijfsschade valt door huurderving tot een maximum van ƒ 800 000. Vervolgens is op 27 januari 1992 door brand schade toegebracht aan de opstallen van BMA. Aegon weigert deze schade te vergoeden, omdat zij van mening is dat BMA bij het aangaan van de verzekering feiten en omstandigheden heeft verzwegen of onjuist heeft opgegeven ex artikel 251 K.