ECLI:NL:HR:1994:ZC1270 (Koninklijke Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.)

Hoge Raad 18 februari 1994, Koninklijke Nijverdal Ten Cate NV/Wilderink q.q.
(ECLI:NL:HR:1994:ZC1270)

Essentie

Doordat in casu de partijen niet uitdrukkelijk in de overeenkomst van de fiduciaire cessie hadden opgenomen dat er geen ontbindende voorwaarde is en dat er slechts een verbintenisrechtelijke verplichting is om die vorderingen weer terug te geven, vielen de vorderingen terug in de failliete boedel van Hofkes. Hierdoor kwam NTC met lege handen te staan.

Rechtsregel

Het eigendomsvoorbehoud is een zelfstandig recht, niet een accessoir recht. Als je de koopprijs cedeert, gaat de voorbehouden eigendom niet automatisch mee over, omdat het geen afhankelijk recht is. Hoewel het in casu gaat over fiduciaire eigendom, geldt dit ook voor het eigendomsvoorbehoud van nu. Tenzij partijen anders hebben afgesproken, vindt een fiduciaire overdracht plaats onder een ontbindende voorwaarde, zodat de vorderingen in de failliete boedel vallen.

Inhoud arrest

Het gaat om twee textielverwerkende bedrijven die een samenwerkingsverband met elkaar hebben: Koninklijke Nijverdal Ten Cate NV (hierna: NTC) en Hofkes Textielveredeling BV (hierna: Hofkes). Hofkes heeft voor de aanschaf van machines financiers nodig en klopt hiervoor aan bij de Nederlandsche Middenstandsbank NV (hierna: NMB). NMB geeft krediet en heeft nu een vordering op Hofkes. NMB wil dit krediet alleen geven in ruil voor zekerheid. NMB vraagt daarom in casu voor twee zekerheden: een goederenrechtelijke en een persoonlijke.

Deze casus speelde zich af onder het oude recht, het BW van 1838. Toen bestond een andere vorm van overdracht tot zekerheid: een fiduciaire overdracht van goederen. Nu gaat dit via dit het stilpandrecht op zaken en het stilpandrecht op vorderingen. Bij deze fiduciaire overdracht van goederen gaat het om roerende zaken die in de onderneming van Hofkes gebruikt moeten worden, er vindt geen mededeling plaats. Hier kon geen pandrecht op worden gevestigd, want in deze tijd bestond alleen het vuistpandrecht. Onder het oude recht was dus een alternatieve route ontwikkeld: de fiduciaire overdracht. Dit was ook van toepassing voor vorderingen, dit heette dan ook fiduciaire cessie (zonder mededeling).

Hofkes moest haar vorderingen op allerlei afnemers fiduciair cederen aan NMB. Daarnaast vroeg NMB nog een persoonlijke zekerheidsstelling door NTC. NTC moest een verklaring afleggen dat zij hoofdelijk schuldenaar werd. Dit lijkt op een borgtocht, alleen is het hier zo dat NTC direct kan worden aangesproken.

Na enige tijd kan Hofkes het krediet niet meer terugbetalen en faillissement treedt in. NMB zou er nu voor kunnen kiezen om die fiduciair gecedeerde vorderingen te gaan innen. Toch kiest de bank ervoor om NTC aan te spreken tot betaling. Alles wat NMB van Hofkes kan vorderen, kan zij namelijk ook van NTC vorderen. NTC betaalt gelijk. Subrogatie van NTC vindt plaats in de vordering van NMB. Hierbij is de stelling van NTC dat omdat Hofkes zekerheden aan NMB heeft gegeven, deze door hun accessoriteit meekomen na de subrogatie. NTC beargumenteert gebruik te kunnen maken van die fiduciair gecedeerde vorderingen en deze te kunnen innen.

Zekerheidsrechten zijn accessoir aan de verzekerde vordering. NTC concludeert dus dat de zekerheden op hem zijn overgegaan door zijn subrogatie in die vordering. Volgens de Hoge Raad kan dat niet, omdat eigendom een zelfstandig recht is. Eigendom kan niet accessoir zijn aan een vordering.

Ook kwam de vraag naar boven of het eigendomsvoorbehoud geen vorm is van fiduciair eigendom. Eigendom wordt namelijk gebruikt als zekerheidsmiddel. Hoewel dit arrest geldt voor een fiduciaire eigendom, geldt het ook voor een eigendomsvoorbehoud. Het voorbehouden eigendom is een zelfstandig recht en geen accessoir recht. Ook al zijn er vorderingen mee verzekerd, het voorbehouden eigendom gaat niet mee over. Verder zegt de Hoge Raad dat tenzij partijen anders hebben afgesproken, een fiduciaire overdracht plaatsvindt onder een ontbindende voorwaarde, zodat de vorderingen in de failliete boedel vallen.

Hofkes had een pakket vorderingen fiduciair overgedragen aan NMB. Tenzij deze partijen dus uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen, wat hier niet het geval was, moet worden aangenomen dat die fiduciaire overdracht heeft plaatsgevonden onder de ontbindende voorwaarde van de betaling van dat krediet. Het krediet is terugbetaald, weliswaar niet door Hofkes maar door NTC, maar dat maakt niet uit. De ontbindende voorwaarde treedt in werking wanneer hieraan wordt voldaan. Het pakket vorderingen valt hierdoor weer terug aan de vervreemder: Hofkes. Hofkes was op dat moment al failliet verklaard. NMB had een brief gestuurd aan NTC en gezegd dat zij nu ook het recht heeft om dat pakket vorderingen te gaan innen. Dit had geen effect meer, omdat NMB geen schuldeiser meer van die vorderingen is, waardoor er niets valt te cederen. De vorderingen komen in de failliete boedel van Hofkes terecht. De curator mag die vorderingen nu gaan innen.

De partijen hadden dit anders kunnen regelen, maar zijn vergeten dit te doen. NMB had ervoor moeten zorgen dat in de overeenkomst van fiduciaire cessie uitdrukkelijk zou staan dat er geen ontbindende voorwaarde is en dat slechts een verbintenisrechtelijke verplichting bestaat om die vorderingen weer terug te geven. Ze hadden moeten regelen dat het pakket vorderingen niet terugvalt in de boedel van Hofkes, maar dat NMB het behoudt en vervolgens mag overdragen aan NTC. NTC staat dus met lege handen. NTC heeft wel een gesubrogeerde vordering, maar zonder zekerheden. De onderneming heeft een vordering op een failliete onderneming, waar zij dus niet veel aan heeft.