ECLI:NL:HR:1991:AD1791 (Depex/curatoren Bergel)

Depex/curatoren Bergel, HR 15 november 1991, NJ 1993, 316
(ECLI:NL:HR:1991:AD1791)

Essentie
Art. 3:4 lid 1 BW bepaalt dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, een bestanddeel van die zaak is. De Hoge Raad geeft in dit arrest een maatstaf, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld wanneer iets volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, en dus een bestanddeel is.

Rechtsregel
Voor de beantwoording van de vraag of apparatuur volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een gebouw, dient men te beoordelen of de apparatuur en het gebouw in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, dan wel of het gebouw in algemene zin bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd (denk aan leidingen, verlichting, verwarming, etc.). Het gaat hierbij niet om de vraag of het productieproces dat in het gebouw wordt uitgeoefend zonder de desbetreffende apparatuur kan worden voortgezet of niet.

Inhoud arrest
Depex heeft in 1987 een destillatie-installatie onder eigendomsvoorbehoud geleverd aan Bergel ten behoeve van een farmaceutische productie-inrichting. De installatie wordt vervolgens in de fabriek van Bergel geplaatst en in gebruik genomen. Voordat de koopprijs wordt voldaan, gaat Bergel failliet. Depex vordert de installatie terug op grond van haar eigendomsvoorbehoud. De curatoren van Bergel beroepen zich er echter op dat de installatie door natrekking bestanddeel is geworden van de fabriek, waardoor Bergel eigenaar is geworden. De rechtsvraag die in dit kader centraal staat, is of de destillatie-installatie volgens verkeersopvatting bestanddeel is geworden van de fabriek van Bergel.

De rechtbank heeft overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat de destillatie-installatie
in zijn geheel een zo essentieel gedeelte van de farmaceutische fabriek van Bergel vormt, dat deze fabriek zonder deze installatie niet meer aan haar bestemming kan beantwoorden, hetgeen met zich meebrengt dat de destillatie-installatie door natrekking eigendom is geworden van Bergel. Het hof ging daar in mee, en is van mening dat bij de beoordeling meegenomen moet worden dat het niet slechts om een fabriek gaat, maar om een farmaceutische fabriek. Alsdan zou deze fabriek zonder de installatie incompleet zijn, en niet meer aan haar doel kunnen beantwoorden. De installatie behoort tot het wezen van de fabriek, en maakt aldus naar verkeersopvatting onderdeel uit van de fabriek.

De Hoge Raad oordeelt dat niet gekeken dient te worden naar de fabriek als farmaceutische productie-inrichting, maar als (fabrieks)gebouw. Het gaat er niet om of de installatie deel uitmaakt van het productieproces. Apparatuur dat een zeer belangrijke rol speelt in het productieproces dat in een fabriek wordt uitgeoefend, wordt niet door dat enkele gegeven bestanddeel van het gebouw waarin de fabriek wordt uitgeoefend. Het komt aan op de vraag, wat de verkeersopvatting ten aanzien van de relatie tussen de installatie en het gebouw meebrengt. Voor het beantwoorden van deze vraag dient men te beoordelen of de installatie en het gebouw in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd dan wel of het gebouw in algemene zin bij het ontbreken van de installatie als onvoltooid moet worden beschouwd. Het gaat hierbij derhalve niet om de vraag of het productieproces dat in de fabriek wordt uitgeoefend zonder desbetreffende installatie kan worden voortgezet of niet.