ECLI:NL:HR:1990:AC0965 (Windmill)

Windmill, HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393
(ECLI:NL:HR:1990:AC0965)

Door Sapna Gajadhar

Essentie
De staat mag in sommige gevallen gebruik maken van haar privaatrechtelijke bevoegdheden om belangen te behartigen, als ze op dit terrein ook gebruik kan maken van haar publiekrechtelijke bevoegdheden. Van deze gevallen is sprake als, ten eerste, de publiekrechtelijke regeling niet in een mogelijkheid voorziet om het geschil op te lossen en, ten tweede, als het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden de publiekrechtelijke regeling niet op onaanvaardbare wijze doorkruist.

Rechtsregel
In sommige situaties heeft de staat de mogelijkheid om een keuze te maken om gebruik te maken van haar privaatrechtelijke bevoegdheden, in plaats van haar publiekrechtelijke bevoegdheden. De staat is niet geheel vrij in deze keuze, ze is bij het maken van deze keuze gehouden aan bepaalde richtlijnen. Ten eerste moet de staat bekijken of een publiekrechtelijke regeling in een mogelijkheid om het geschil op te lossen voorziet. Ten tweede moet de staat ook bekijken of het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden de publiekrechtelijke regeling niet op een onaanvaardbare wijze doorkruist.

De Hoge Raad heeft een aantal gezichtspunten gegeven om te kijken wanneer er sprake kan zijn van zo een onaanvaardbare doorkruising. Allereerst moet er gekeken worden naar de inhoud en de strekking van de publiekrechtelijke regeling. Daarna moet er gekeken worden naar de wijze waarop en de mate waarin de burgers door de publiekrechtelijke regelingen worden beschermd. Tot slot moet er gekeken worden of de overheid met de publiekrechtelijke regeling hetzelfde resultaat kan bereiken. Aan de hand van een afweging van deze gezichtspunten kan er uiteindelijk een conclusie getrokken worden of de staat met het gebruiken van haar privaatrechtelijke bevoegdheden de publiekrechtelijke regeling op een onaanvaardbare wijze heeft doorkruist.

Inhoud arrest
In deze zaak ging het om een geschil tussen de staat en Windmill BV. Windmill heeft een bedrijf onder zich dat jaarlijks enorme hoeveelheden afvalstoffen loost in de Nieuwe Waterweg. Windmill heeft voor het lozen van deze afvalstoffen een vergunning aangevraagd bij de gemeente en deze toegewezen gekregen. Op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren heeft de gemeente het recht om bepaalde financiële heffingsregelingen vast te stellen wanneer het gaat om het verlenen van een vergunning voor het lozen van afvalstoffen.

De staat vorderde dat Windmill zou stoppen met het lozen van afvalstoffen totdat hij hiervoor een privaatrechtelijke vergunning heeft. De staat meldde daarbij dat ze niet tegen het lozen van de afvalstoffen is, maar dat hiervoor wel een reële vergoeding moet worden betaald. Zowel de rechtbank als het Hof zijn beide tot de conclusie gekomen dat de staat geen bevoegdheid heeft om van Windmill een privaatrechtelijke vergunning te eisen, en wijzen daarom beide de vordering af.