ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (Harmonisatiewet)

Harmonisatiewet, HR 14 april 1989, NJ 1989, 469
(ECLI:NL:HR:1989:AD5725)

Door Marsha Simon

Essentie
De Landelijke Studenten Vakbond verzet zich tegen de onverkorte toepassing van de nieuwe bepalingen in de Harmonisatiewet door de Staat, welke voor de student een achteruitgang in rechtspositie inhoudt. De Hoge Raad geeft uitleg aan artikel 120 van de Grondwet, wat betekent dat de rechter niet de vrijheid heeft om een wet in formele zin te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen. Althans, er zal geen toetsing plaatsvinden aan fundamentele rechtsbeginselen van de Nederlandse rechtsorde die nog geen uitdrukking hebben gevonden in enige, een ieder verbindende verdragsbepaling. Ook artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verplicht niet tot een toetsing aan ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen. De Hoge Raad geeft tevens uitleg aan artikel 49 van het Statuut voor het Koninkrijk, wat inhoudt dat de rechter een wet in informele zin ook niet mag toetsen aan het Statuut voor het Koninkrijk.

Rechtsregel
In dit arrest komt een tweetal vragen naar voren:

  • Mag de rechter een wet in formele zin toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen?
  • Mag de rechter een wet in formele zin toetsen aan het Statuut voor het Koninkrijk?

Beide vragen worden door de Hoge Raad ontkennend beantwoord. Wel merkt de Hoge Raad op dat hij de Harmonisatiewet in strijd acht met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarop is bij wet van 10 juli 1989 de Harmonisatiewet aangepast.


Inhoud arrest

Vanwege bezuinigingsmaatregelen heeft de overheid gezocht naar middelen die de studieduur zover mogelijk zouden kunnen terugdringen. Dit resulteerde in een regeling waarbij in het gehele hoger onderwijs (wo en hbo tezamen) zowel de inschrijvingsduur als het recht op studiefinanciering werd beperkt en terug gebracht tot een periode van zes jaar. De eisers voelen zich in hun belangen benadeeld door de onverkorte toepassing van de nieuwe bepalingen in de Harmonisatiewet (artikel 35 lid 4 WWO, artikel 38 lid 3 WHBO en artikel 18 lid 4 WOU). De eisers zullen met ingang van het nieuwe studiejaar geen studiefinanciering meer ontvangen en zevenhonderd gulden meer collegegeld moeten betalen. Hierdoor is er sprake van een beduidende achteruitgang in de rechtspositie van de student. Door eisers wordt geëist van de Staat dat zij ook na 1 augustus 1988 studiefinanciering blijft verstrekken en de nieuwe wetsbepalingen niet toepast op eisers en degenen die in het studiejaar 1987–1988 reeds als student aan een instelling van wo of hbo dan wel aan de OU waren ingeschreven.

Nadat de Staat tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de president van de rechtbank bij vonnis van 11 augustus 1988 de vordering toegewezen. Tegen dit vonnis van de rechtbank heeft de Staat (principaal) beroep in cassatie ingesteld (conform artikel 398, onder 2, Rechtsvordering), waarna eisers incidenteel beroep hebben ingesteld.

Het eerste onderdeel van het in incidenteel cassatieberoep voorgedragen middel stelt de vraag aan de orde of artikel 120 van de Grondwet de rechter vrijheid laat de wet (in formele zin) te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen. In het arrest van 16 mei 1986, NJ 1987, 251 ligt reeds besloten dat deze vraag naar het oordeel van de Hoge Raad ontkennend moet worden beantwoord. Aan dat oordeel meent de Hoge Raad te moeten vasthouden, ondanks dat de Hoge Raad de Harmonisatiewet in strijd acht met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het middel in het principaal cassatieberoep stelt in de eerste plaats de vraag aan de orde of de rechter de wet mag toetsen aan het Statuut voor het Koninkrijk. Bij de beantwoording van die vraag gaat het er vooral om welke betekenis moet worden toegekend aan artikel 49 van het Statuut voor het Koninkrijk. Daarbij moet worden vooropgesteld dat ten tijde van de totstandkoming van het Statuut gold dat wetten niet mochten worden getoetst aan de Grondwet en fundamentele rechtsbeginselen, en dat zulks wezenlijk was voor de traditionele plaats van de rechter in ons staatsbestel. Tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat men bij de totstandkoming van het Statuut daarin een dergelijke toetsing zou hebben willen invoeren. Uit het voorgaande volgt dat de vraag of de rechter de wet mag toetsen aan het Statuut voor het Koninkrijk, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ontkennend moet worden beantwoord.

De Hoge Raad verwerpt het incidenteel cassatieberoep en vernietigt het vonnis van de rechtbank inzake het principaal cassatieberoep.