ECLI:NL:HR:1987:AC0501 (Grenswisselkantoor-arrest)

Grenswisselkantoor-arrest, HR 08-09-1987, NJ 1988, 612

(ECLI:NL:HR:1987:AC0501)

 

Essentie

Het Grenswisselkantoor-arrest (GWK-arrest) is een aanvulling op het Cito-arrest. Door het Cito-criterium toe te passen in het GWK-arrest, kwam de Hoge Raad tot de conclusie dat de handelingen van de verdachten juist geen begin van uitvoering opleverden. Het Cito-arrest en het Grenswisselkantoor-arrest vormen samen de standaard arresten die de grens aangeven tussen een voorbereidingshandeling en begin van uitvoering bij het plegen van een misdrijf. Voorbereidingshandelingen waren ook ten tijde van het  GWK-arrest nog niet strafbaar gesteld. De uitspraak in deze zaak leidde uiteindelijk tot de totstandkoming van art. 46 Sr, waarin het voorbereiden van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, strafbaar werd.

 

Rechtsregel

De vraag die in dit arrest centraal stond, was: heeft het voornemen van de daders om een misdrijf (afpersing, art. 317 Sr) te plegen zich door een begin van uitvoering geopenbaard? De Hoge Raad antwoordde ontkennend. De Hoge Raad vond dat er in dit geval niet gesproken kon worden van een dergelijk begin van uitvoering.

Er is volgens de Hoge Raad sprake van een begin van uitvoering, indien de gedragingen naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

 

Inhoud arrest

Twee mannen hebben een overval gepland op een grenswisselkantoor in Bladel. Ze rijden met een gestolen auto met valse kentekenplaten naar het betreffende grenswisselkantoor, nog voor het openingsuur. In de auto hebben zij o.a. een geladen dubbelloops jachtgeweer, een imitatie-vuistvuurwapen, alsmede handboeien en tape. De mannen dragen dubbele kleding en pruiken. Ze wachten met draaiende motor op de parkeerplaats voor het kantoor op de werknemer die het kantoor zal openen. Deze kantoorbediende ziet de auto staan en opent het grenswisselkantoor niet, omdat hij de situatie niet vertrouwt. Dezelfde auto stond namelijk de vorige dag ook al voor het grenswisselkantoor geparkeerd. De medewerker belt de politie, die de twee mannen aanhoudt na een wilde achtervolging.

De verdachten wordt poging tot afpersing (art. 317 Sr jo. art. 45 Sr) ten laste gelegd. Ze worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De Hoge Raad stelde dat er niet gesproken kan worden van een begin van uitvoering, indien iemand zich naar een grenswisselkantoor begeeft met het voornemen daar een misdrijf te plegen, maar de auto nog niet verlaten heeft of nog geen andere gedraging heeft verricht die moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf. De Hoge Raad oordeelde als volgt:

“Immers, wanneer iemand het voornemen heeft opgevat (…) [een bank te overvallen], kan niet worden gezegd dat hij aan het misdrijf begin van uitvoering heeft gegeven indien hij zich met een auto naar die bank heeft begeven, doch –om welke reden dan ook– die auto niet heeft verlaten, noch –in of vanuit die auto– een gedraging heeft verricht welke naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.”