ECLI:NL:HR:1984:AG4901 (Ciba Geigy/Voorbraak)

Ciba Geigy/Voorbraak, 16 november 1984
(ECLI:NL:HR:1984:AG4901)
 
Essentie
Het arrest Ciba Geigy/Voorbraak gaat over dwangsommen uit een kort geding. In casu draait het om de vraag wat de consequenties als een rechterlijk verbod ten onrechte in een vonnis is opgenomen, maar de partij ten behoeve van wie dit verbod op de ander is geplaatst, die ander met executie heeft bedreigd om overtreding van dit verbod te voorkomen. Oftewel, wat is de kracht van een rechterlijk verbod in kort geding?

Rechtsregel
Degene aan wie een verbod door de rechter in kort geding is opgelegd, behoort zich hieraan te houden zolang dat verbod van kracht is. Degene die door dreiging met executie de ander heeft gedwongen zich aan het verbod te houden, is dan echter wel aansprakelijk voor de schade die de wederpartij als gevolg daarvan heeft geleden. Het tijdelijke karakter van een voorlopige voorziening brengt met namelijk met zich mee dat, zodra in het bodemgeschil blijkt dat het verbod ten onrechte is gewezen, het afdwingen van het verbod uit de voorlopige voorziening als onrechtmatig kan worden gezien.

Inhoud casus
Ciba Geigy stapt naar de voorzieningrechter in een kort geding. Daar eist Ciba Geigy dat de rechter Voorbraak een verbod oplegt om nog verder inbreuk te maken op het Nederlandse octrooirecht van Ciba Geigy. De voorzieningrechter wijst de vordering van Ciba Geigy uitvoerbaar bij voorraad toe. Hierop gaat Ciba Geigy gelijk Voorbraak bedreigen met executie van het vonnis, om ervoor te zorgen dat Voorbraak zich aan het verbod van de voorzieningrechter houdt.

In het bodemgeschil blijk echter dat de voorzieningrechter ten onrechte dit verbod heeft opgelegd (door een verkeerde interpretatie van Europees recht). Voorbraak voelt zich dus benadeeld en claimt schadevergoeding van Ciba Geigy.

De voorzieningrechter wijst dus de vordering van Ciba Geigy toe. Deze vordering wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en Voorbraak dient een dwnagsom te betalen voor elke dag dat hij dit verbod overtreedt. Het hof in hoger beroep stelt echter dat de voorzieningrechter verkeerd heeft geoordeeld en dat het verbod dus ten onrechte in het vonnis is opgenomen. Het hof stelt vervolgens dat Ciba Geigy daarom aansprakelijk is voor de schade die Voorbraak heeft geleden door de dreiging met executie..

De Hoge Raad oordeelde als volgt:
Voor de beantwoording van de hier aan de orde gestelde vraag is van belang dat het verbod gegeven door een rechter in kort geding het karakter heeft van een voorlopige voorziening die naar luid van art. 292 Rv geen nadeel toebrengt aan de zaak ten principale.
 
Enerzijds dient de partij die door de rechter in kort geding is veroordeeld, zich aan het verbod te houden zolang dat van kracht is, in dier voege dat het andersluidend oordeel in het bodemgeschil er niet aan in de weg staat dat eenmaal verbeurde dwangsommen verschuldigd blijven.
 
Anderzijds dient in beginsel te worden aangenomen dat degeen die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich naar een in kort geding gegeven verbod te gedragen, onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hij, naar achteraf blijkt uit de uitspraak in het bodemgeschil, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze zich van de desbetreffende handelingen onthield. Voorts mag er, gegeven de aard van het kort geding-vonnis, van worden uitgegaan dat degeen die als voormeld met executie dreigde, wist althans behoorde te weten dat hij zijn handelen baseerde op –kort gezegd– een voorlopige maatregel, zodat de door zijn handelen veroorzaakte schade in beginsel als door zijn schuld veroorzaakt heeft te gelden. Deze oplossing is maatschappelijk méér gerechtvaardigd dan de omgekeerde oplossing, die dáárop neerkomt dat de partij die zich onder dreiging met executie aan het verbod heeft gehouden, in beginsel de schade moet dragen, ook al blijkt achteraf het door de eiser in kort geding gepretendeerde recht niet te bestaan.”

Samenvattend oordeelt de Hoge Raad dat het verbod, gegeven door de voorzieningrechter in het kort geding, het karakter heeft van een voorlopige voorziening. Dit brengt met zich mee dat, zodra in het bodemgeschil blijkt dat dit verbod ten onrechte is opgelegd, het afdwingen van het verbod uit dit vonnis als onrechtmatig gezien kan worden. De Hoge Raad sluit zich dus aan bij het hof en stelt Voorbraak in het gelijk.