ECLI:NL:HR:1983:AG4521 (Peeters/Gatzen)

Hoge Raad 14 januari 1983, Peeters/Gatzen
(ECLI:NL:HR:1983:AG4521)

Essentie

Voor een faillietverklaring is de echtelijke woning van de gefailleerde doorverkocht en geleverd voor een te lage prijs aan de echtgenote van de gefailleerde. De curator heeft de echtgenote (Gatzen) gedagvaard en onder meer gevorderd dat Gatzen jegens de gezamenlijke crediteuren van J.E.C. van Rooy een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voorts heeft de curator gevorderd dat Gatzen zal worden veroordeeld tot betaling van f 69.160,– aan de curator.
In reactie hierop heeft Gatzen onder meer aangevoerd dat zij een vordering op haar echtgenoot Van Rooy heeft ter hoogte van f 20.185,95 en dat de vordering vatbaar is voor compensatie met een mogelijk in conventie aan de curator toe te wijzen bedrag.

Rechtsregel

Is een vordering tot schadevergoeding mogelijk tegen een derde die heeft meegewerkt aan de benadeling van de schuldeisers zonder dat deze vordering aan de gefailleerde toekwam?

De Hoge Raad overweegt dat een faillissementscurator ook bevoegd is voor belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling door de gefailleerde. In zo een geval kan onder omstandigheden ook plaats zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 1401 BW door de curator tegen een derde die bij de benadeling van de schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering niet aan de gefailleerde zelf toe.

Inhoud arrest

In geding in reconventie is aan de orde de vraag of Gatzen haar vordering op haar gefailleerde echtgenoot Van Rooy in compensatie kan brengen met de door de curator in het faillissement van Van Rooy in conventie tegen Gatzen ingestelde vordering.

Naar de rechtbank en het hof hebben aangenomen, berust deze laatste vordering op de stelling van de curator dat Gatzen jegens de gezamenlijke schuldeisers van Van Rooy een onrechtmatige daad heeft gepleegd, bestaande uit het ten nadele van die schuldeisers meewerken aan een vóór de faillietverklaring tot stand gebrachte transactie. Van Rooy heeft een aan hem toebehorend onroerend goed (de echtelijke woning) voor een te lage prijs doorverkocht en geleverd aan Seco-Vastgoed maatschappij b.v., die dat goed vervolgens heeft doorverkocht en geleverd aan Gatzen.

De Hoge Raad begrijpt de gedachtegang van het hof aldus dat de curator alléén een vordering tegen Gatzen ter zake van de beweerdelijk door haar – vóór de faillietverklaring – jegens de schuldeisers van Van Rooy gepleegde onrechtmatige daad zou kunnen geldend maken, als dit op het moment van de faillietverklaring tot het vermogen van Van Rooy behorende vordering was. Dus een vordering van Van Rooy op Gatzen. In een dergelijk geval, aldus het hof, zou er geen bezwaar zijn tegen compensatie van de vordering van Gatzen op Van Rooy. Hiertegen is het cassatieberoep van de curator gericht.

Voor wat betreft de in conventie door de curator tegen Gatzen ingestelde vordering, kan Gatzen niet worden aangemerkt als schuldenares van de gefailleerde, zodat in dit opzicht niet is voldaan aan de door artikel 53 Faillissementswet voor compensatie gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft derhalve de in reconventie door Gatzen gevorderde verklaring voor recht terecht afgewezen.