ECLI:NL:HR:1983:AD2221 (Immuniteit raadslid)

Immuniteit raadslid, HR 24 juni 1983
ECLI:NL:HR:1983:AD2221

Essentie:
Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie is van groot belang voor een democratische samenleving, omdat die alleen goed functioneert wanneer burgers goed geïnformeerd zijn. Publicaties kunnen echter ook belangen schaden en daarmee schade berokkenen aan burgers en de samenleving. In dit kader staan steeds twee belangrijke grondrechten tegenover elkaar, te weten het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van reputatie en privacy. Aan de rechter de taak om deze rechten tegen elkaar af te wegen.

Rechtsregel:
In dit arrest heeft de Hoge Raad aanknopingspunten gegeven om de vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van reputatie en privacy tegen elkaar af te wegen. Welke van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, en wel in het bijzonder van de volgende:
a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen;
b. de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;
c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
d. de inkleding van de verdenkingen;
e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;
f. een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

Inhoud arrest:
In deze zaak heeft een gemeenteraadslid aan een dagblad een door haar in de raadscommissie ingediende brief met bijlagen ter hand te gesteld, waarin de financiële integriteit van een bestuurder van kinderbeschermingsinstellingen verdacht wordt gemaakt. De rechtsvraag die in dit kader centraal staat is of het gemeenteraadslid onrechtmatig heeft gehandeld jegens de bestuurder.

Volgens het hof rechtvaardigt het feit dat het gemeenteraadslid in de aan de pers verstrekte stukken suggereert dat de bestuurder van kinderbeschermingsinstellingen zich ten koste van de gemeenschap persoonlijk heeft verrijkt, op zichzelf nog niet het oordeel dat hij in strijd heeft gehandeld met de jegens de bestuurder in het maatschappelijke verkeer betamende zorgvuldigheid.

De Hoge Raad oordeelt dat in deze zaak twee maatschappelijke belangen tegenover elkaar staan: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan dankzij het onvermogen van de verantwoordelijke overheidsorganen om in een gecompliceerde maatschappij als die waarin wij leven gelijkelijk aandacht te geven aan alle zaken die die aandacht verdienen, nog daargelaten de mogelijkheid van andere factoren die belemmerend kunnen werken op het doen beëindigen van een bepaalde misstand.

De Hoge Raad overweegt dat welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, afhangt van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, en wel in het bijzonder van de volgende:
a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;
b. de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;
c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c bedoelde factoren;
e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;
f. een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

Het hof heeft blijk gegeven te zijn uitgegaan van een onjuist, immers te strak onrechtmatigheidscriterium, dat voor een afweging als hiervoor bedoeld onvoldoende ruimte laat.