ECLI:NL:HR:1971:AB4227 (Dreigbrief)

Dreigbrief; HR 09-02-1971, NJ 1972, 1
(ECLI:NL:HR:1971:AB4227)

Door Austin Ellinor

Essentie
Dit arrest gaat over wederrechtelijkheid als bestandsdeel van de delictsomschrijving van afpersing, artikel 317 Sr. Het gaat er in dit arrest om of er sprake kan zijn van wederrechtelijke bevoordeling, slechts op grond van het feit dat er een onbehoorlijk middel gebruikt wordt om dat voordeel na te streven. Oftewel, is het gebruiken van een dreigbrief geoorloofd om een (op zichzelf niet wederrechtelijke) bevoordeling na te streven?

Rechtsregel
Indien men een behoorlijk middel gebruikt om een voordeel na te streven kan er sprake zijn van wederrechtelijke bevoordeling, ook al is de bevoordeling op zichzelf niet wederrechtelijk.

Inhoud arrest
In casu draait het om een man die een dreigbrief stuurt naar een vrouw in België en een man in Duitsland. In de brieven stelt hij dat zij hem geld verschuldigd zijn; de vrouw was de verdachte 2.200 gulden schuldig, de man uit Duitsland was de verdachte 600 Duitse Mark schuldig, omdat hij zijn zoon had beroofd. In beide brieven staan dreigementen indien het geld niet wordt betaald.

De verdachte wordt vervolgens vervolgd voor afpersing. Volgens de verdachte is er echter geen sprake van afpersing, omdat er niet kan worden voldaan aan het bestandsdeel ‘wederrechtelijk’.

Afpersing is, zoals omschreven in artikel 317 Sr “het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld”.

De verdachte stelde namelijk dat hij recht had op het geld. Er is volgens hem niet aan de delictsomschrijving voldaan en dus is er geen sprake van afpersing. De aanklagers waren het hier niet mee eens en voerden aan dat er wel degelijk sprake was van afpersing, gezien de onbehoorlijkheid van het dreigen met geweld.

Het hof veroordeelde de verdachte voor afpersing. De Hoge Raad sluit zich daarbij aan.

De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“dat het Hof (…) heeft kunnen afleiden niet alleen, dat [verdachte] (…) bevoordeling heeft beoogd, doch eveneens — nu hetgeen [verdachte] tot het behalen van die beoogde bevoordeling heeft verricht van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid, dat [verdachte] moet hebben beseft, dat hij (ook indien hij de voormelde mening [dat hij recht had op het geld] toegedaan zou zijn geweest) de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verkeer daarmede verre overschreed — dat [verdachte] bij een en ander heeft gehandeld met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen;”

De Hoge Raad oordeelde dat de man zich had moeten realiseren dat hij door het gebruiken van dreigbrieven de grenzen van het maatschappelijk betamelijke overschreed. Daardoor is er wel degelijk sprake van wederrechtelijkheid en zodoende ook afpersing. Zelfs al zou de verdachte wel daadwerkelijk recht hebben op een geldsom, dan nog sluit dat wederrechtelijkheid niet uit. Hij had dit volgens de Hoge Raad niet met dreigbrieven moeten oplossen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verdachte werd veroordeeld voor afpersing.