ECLI:NL:HR:1926:BG9435 (De Auditu-arrest)

Testimonium de Auditu, HR 20 december 1926 NJ 1927, 85

Essentie
De rechter is niet vrij om te bepalen op welke manier hij het ten laste gelegde wil bewijzen. Aan het bewijs worden bepaalde eisen gesteld. Een limitatieve opsomming van de bewijsmiddelen staat in art. 339 Sv.

Dit arrest gaat over een getuige die een verklaring aflegde in een zaak. Volgens art. 342 Sv moet de verklaring van een getuige zijn gebaseerd op wat hij zelf heeft waargenomen of ondervonden. De afgelegde verklaring was echter gebaseerd op iets dat zij iemand had horen zeggen en dus niet zelf had waargenomen.

In dit arrest besloot de rechter dat verklaringen van personen, die mededelingen van derden weergeven in een rechtszaak, (beperkt) als wettig bewijsmiddel kunnen dienen. Sindsdien kennen we in het Nederlandse strafrecht de testimonium de auditu (getuigenis van horen-zeggen). In het Engels wordt dit hearsay genoemd.

Rechtsregel
De Hoge Raad bepaalde in deze zaak dat een testimonium de auditu onder de werking van art. 342 lid 1 Sv valt en derhalve als bewijs mag worden gebruikt. De Hoge Raad motiveerde dit door de stellen dat een dergelijke verklaring de ‘gehoorsindruk van de getuige’ weergeeft. Hoewel indirect bewijs, kan op grond van de wetshistorie van het Wetboek van Strafvordering en het systeem van de wet worden afgeleid dat zulke verklaringen van horen-zeggen gebruikt mogen worden voor het bewijs.

Inhoud arrest
Een man wordt verdacht van ‘als souteneur voordeel trekken uit de ontucht van een vrouw’ (art. 432 Sr (oud)). De ontucht werd gepleegd door de vriendin van de man. Voor het bewijs wordt onder andere gebruikgemaakt van een verklaring van een getuige. Deze getuige verklaarde te hebben gehoord van de vriendin van de man dat de man haar heeft gedwongen als prostituee voor hem te werken. De raadsman van de verdachte voerde aan dat deze verklaring niet gebruikt mocht worden, nu de verklaring van horen-zeggen was.

De Hoge Raad verwierp het verweer van de raadsman en overwoog het volgende.

“O. dat van strijd met art. 342 Sv. geen sprake kan zijn, daar bedoelde verklaring den gehoorsindruk van de getuige weergeeft, dus loopt over een door die getuige zelf waargenomen feit, n.l dat aan haar de gerelateerde mededeeling is gedaan, terwijl de wet omtrent het gebruik, dat de rechter van dit wettig bewijsmiddel (bedoelde getuigenverklaring) mag maken bij de constructie van het bewijs, te weten omtrent de kracht der aanwijzing liggende in het feit, dat die mededeeling is gedaan, geen enkel voorschrift bevat, zoodat de wet den rechter geenszins dwong om het door hem als vaststaande aangenomen feit der mededeeling, bij de vorming van zijn oordeel over hetgeen als bewezen kan worden aangenomen en de constructie van het bewijs, ter zijde te laten;

O. dat bij de toelichting van het middel wel is toegegeven, dat een verbod om van genoemde getuigenverklaring voor het bewijs der telastelegging gebruik te maken, rechtstreeks noch in art. 342, noch in eenig ander artikel van het Wetb. van Strafv. is te vinden, doch niettemin is volgehouden dat het systeem der wet zoude medebrengen dat van een getuigenverklaring, loopende over een aan den getuige door een derde (niet verdachte) gedane mededeeling, door den rechter bij de constructie van het bewijs der telastelegging geen gebruik mag worden gemaakt; — dat daarbij in het bijzonder een beroep is gedaan op de bepaling van art. 295 en op het tweede lid van art. 341, bij de Invoeringswet Strafv. aan dat artikel toegevoegd;”.