ECLI:NL:HR:1916:BG9431 (Melkventerarrest)

Melk-en-water, HR 14-02-1916, NJ 1916, 681

Essentie
In dit arrest introduceerde de Hoge Raad een nieuwe schulduitsluitingsgrond, namelijk ‘afwezigheid van alle schuld’, vaak afgekort tot ‘avas’. Avas is, in tegenstelling tot alle overige strafuitsluitingsgronden, niet opgenomen in ons Wetboek van Strafrecht.

Rechtsregel
Bij afwezigheid van alle schuld, dient een verdachte niet te worden veroordeeld. Afwezigheid van alle schuld is een buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond. Niets dwingt ertoe dat bij gebleken afwezigheid van alle schuld, niettemin strafbaarheid zou moeten worden aangenomen.

Inhoud arrest
Een knecht in Amsterdam verkocht melk voor een boer in de stad. De knecht wist niet dat de melk die hij verkocht, vermengd was met water. Melk met water vermengen was strafbaar gesteld in de Algemene Politie Verordening. De delictsomschrijving van art. 303 APV Amsterdam luidde als volgt: “Het is verboden melk af te leveren onder de benaming melk/volle melk, indien daaraan iets is toegevoegd of onttrokken.” De knecht vervulde deze delictsomschrijving.

De knecht kon zich niet beroepen op een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond. Eigenlijk doet dat er niet toe. De knecht stond namelijk niet terecht. Het ging om de boer. De boer stond terecht voor het doen plegen van uitventen van melk. Voor doen plegen is het noodzakelijk dat de materiële dader zelf niet strafbaar is. De knecht was in dit geval wel strafbaar, dus kon de boer niet worden veroordeeld voor het ten laste gelede feit.

De Hoge Raad besloot dat het bestraffen van een persoon alleen is toegestaan als zijn gedrag verwijtbaar is. Aangezien de knecht helemaal niet wist dat de melk verdund was, viel dit delict hem ook niet te verwijten. Omdat hij in geen enkele strafuitsluitingsgrond paste, riep de Hoge Raad avas is het leven. Op deze manier was de knecht toch niet strafbaar en kon de boer alsnog worden berecht voor het doen plegen van het uitventen van melk.

De overweging van de Hoge Raad was als volgt: “dat toch niets, bepaaldelijk niet de geschiedenis van het Wetb. van Strafr., er toe dwingt om aan te nemen, dat bij het niet-vermelden van schuld als element in de omschrijving van een strafbaar feit, in het bijzonder van een overtreding, onze wetgever het stelsel huldigt, dat bij gebleken afwezigheid van alle schuld niettemin strafbaarheid zou moeten worden aangenomen, tenzij er een grond tot uitsluiting daarvan in de wet mocht zijn aangewezen;”