ECLI:NL:HR:1915:BG9430 (Azewijnse Paard-arrest)

Azewijnse Paard, HR 6 april 1915, NJ 1915, P. 427

Essentie

Dit arrest dateert uit 1915 en gaat over de verboden uitvoer van een paard aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het ging in kwestie niet zozeer om het dier, maar om de plaats waar het delict werd gepleegd en dus ook welke rechter bevoegd was om te oordelen over de zaak. De casus speelde zich af in een klein dorpje op de grens van Nederland en Duitsland genaamd Azewijn. De verdachte bevond zich op Duits grondgebied en trok een paard naar zich toe door een touw te gooien naar het paard, dat zich op Nederlands grondgebied bevond. Hierdoor overtrad hij het uitvoerverbod dat destijds van kracht was.

Rechtsregel

De rechtsvraag was als volgt: “Kan de Duitser worden vervolgd voor overtreding van het uitvoerverbod nu hij zich ten tijde van het begaan van de overtreding lichamelijk niet op Nederlands grondgebied bevond?” De Hoge Raad antwoordde affirmatief. Het feit dat iemand zich ten tijde van het plegen van een misdrijf in een bepaald land bevindt, doet niet af aan het feit dat ook een ander land als locus delicti (plaats delict) kan worden aangemerkt, indien men middels een bepaald instrument handelt.

30azewijnse-paarden-arrest-1

Inhoud arrest

Deze zaak speelt zich af op of omstreeks 7 september 1914 op de Nederlands-Duitse grens. Tussen het Duitse Klein-Netterden en het Nederlandse kerkdorp Azewijn in de voormalige gemeente Bergh ligt een grenskanaal. De verdachte bevond zich op Duits grondgebied en vanaf de Duitse kant van het kanaal wierp hij een touw met een lus om het paard. Vervolgens trok de verdachte het paard vanuit Nederland naar Duitsland toe. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was een uitvoerverbod voor paarden van kracht.

In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens overtreding van het uitvoerverbod voor paarden. Het cassatieberoep van de verdachte werd verworpen. De Hoge Raad concludeerde dat men in het buiten verblijvend een misdrijf kan plegen in Nederland. Door aan het touw te trekken dat om een paard zat, dat zich op Nederlands grondgebied bevond, was de verdachte werkzaam op Nederlands grondgebied. Het strafbare feit was derhalve gepleegd in Nederland en de Nederlandse strafrechter was dan ook bevoegd om te oordelen over deze zaak.

Door te bepalen dat iemand zeer goed middels een instrument kan handelen op een andere plaats dan waar men zich bevindt, heeft de Hoge Raad uitbreiding gegeven aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.