ECLI:NL:GHSHE:2022:1551 (Shockschade en affectieschade)

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 17 mei 2022, Toekenning van shockschade na identificatie in mortuarium
(ECLI:NL:GHSHE:2022:1551)

Essentie

In deze zaak staat centraal of de ouders, broer, en zus (appellanten) van een slachtoffer recht hebben op shockschade. Appellanten zijn geconfronteerd met het ernstige letsel van het slachtoffer tijdens de identificatie in het Mortuarium. Tevens wordt beoordeeld of de broer en zus van het slachtoffer recht hebben op affectieschade.

Rechtsregel

Vergoeding van shockschade is mogelijk indien door het waarnemen van een ongeval of door de rechtstreekse confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit.

Het is voor een beperkte groep naasten en nabestaanden mogelijk om aanspraak te maken op vergoeding van affectieschade. De pijn en het verdriet dient veroorzaakt te zijn doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, ernstig en blijvend gewond raakt of overlijdt. Dit is een uitzondering op het uitgangspunt dat alleen de gekwetste zelf aanspraak kan maken op affectieschade.

Inhoud

Geïntimeerde heeft onder invloed van drugs een vriend (hierna: het slachtoffer) om het leven gebracht. Door de hevige mishandeling heeft het slachtoffer ernstige verminking aan het hoofd en het gelaat opgelopen. Het slachtoffer was de zoon van appellanten 1 en 2 en broer van appellanten 3 en 4. Op 18 maart 2021 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant wegens doodslag de geïntimeerde veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar onvoorwaardelijk. Ook moest geïntimeerde € 17.500 betalen aan affectieschade aan appellanten 1 en 2. Tevens is geoordeeld dat geïntimeerde de materiële schade moet betalen aan alle appellanten. De vordering met betrekking tot het betalen van shockschade aan alle appellanten en affectieschade voor appellant 3 en 4 zijn afgewezen door de rechtbank. Appellanten zijn in deze zaak in hoger beroep gekomen tegen het deel van het vonnis met betrekking tot de afgewezen vordering.

Appellant 1 vordert shockschade die is ontstaan door de confrontatie met het letsel van zijn zoon. Het hof stelt dat er daarvoor voldaan dient te worden aan het confrontatievereiste. De confrontatie met het letsel vond plaats tijdens de identificatie in het mortuarium. Volgens de verklaring van de officier van justitie was het hoofd van het slachtoffer ‘zo plat als een dubbeltje’. De gevolgen van de zeer ernstige verwondingen waren ten tijde van de identificatie zichtbaar. Appellant 1 stelt dat de confrontatie met het slachtoffer in combinatie met de wetenschap dat het slachtoffer in een grote plas bloed op zijn buik is gevonden en de wetenschap dat hij door zijn beste vriend om het leven is gebracht, een hevige shock bij hem te weeg heeft gebracht. Het hof oordeelt dat gelet op voorgaande is voldaan aan het confrontatievereiste. Er was immers sprake van rechtstreekse confrontatie met de ernstige gevolgen van het delict.

Verder is van belang of de confrontatie met het letsel heeft geleid tot geestelijk letsel bij appellant 1. Appellant 1 stelt dat hij lijdt aan PTSS als gevolg van de confrontatie. Dit is door geïntimeerde niet betwist. Het hof heeft het geestelijk letsel daarom als vaststaand aangenomen, met als gevolg dat appellant 1 recht heeft op shockschade. Gelet op de omstandigheden van het geval is de vergoeding door het hof vastgesteld op € 15.000 (in overeenstemming met de vordering).

Ook appellant 2 heeft een vergoeding van shockschade gevorderd. Met betrekking tot het confrontatievereiste geldt hetzelfde als voor appellant 1. Appellant 2 voldoet daarom aan het confrontatievereiste. Voor de psychische en lichamelijke klachten, die appellant 2 stelt te hebben overgehouden aan de shock, is nog geen diagnose gesteld door een psycholoog. Derhalve kan niet worden vastgesteld of appellant 2 psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van de confrontatie met het letsel. De zaak is hiertoe naar de rol van 19 juli 2022 verwezen.

Appellant 3 vordert shockschade die is ontstaan door de confrontatie met het letsel van zijn broer. Ook appellant 3 is geconfronteerd met het letsel in het mortuarium. Gelet op voorgaande beoordeling voldoet ook appellant 3 aan het confrontatievereiste. Of sprake is van psychisch letsel is nog onduidelijk. Appellant 3 heeft wel een verklaring van een psycholoog overgelegd, maar hieruit blijkt niet dat er sprake is van PTSS als gevolg van de confrontatie met het letsel van het slachtoffer. Derhalve heeft het hof geoordeeld dat appellant 3 het causaal verband tussen het psychisch letsel, de PTSS en de confrontatie met het letsel moet aantonen. Hiertoe is de zaak verwezen naar de rol van 19 juli 2022.

Appellant 3 vordert tevens affectieschade. Het hof stelt met betrekking hiertoe dat broers en zussen van de overledene volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking komen, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van art. 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (art. 6:108 lid 4 onder g BW). Om te voldoen aan de uitzondering moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij de feitelijke verhouding beslissend is. Appellant 3 heeft erop gewezen dat hij met het slachtoffer een hechtere gezinsband had dan een gemiddeld gezin doordat zijn samen naar Nederland zijn gevlucht vanuit Iran. Het hof heeft echter geoordeeld dat appellant 3 te weinig concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Ook is niet concreet toegelicht hoe de band tussen de broers was op het moment van overlijden van het slachtoffer. Derhalve kan appellant 3 geen aanspraak maken op de affectieschade.

Ook appellant 4 heeft affectieschade gevorderd. Appellant 4 heeft daarvoor dezelfde gronden aangevoerd als appellant 3. Gelet op voorgaande kan appellant 4 ook geen aanspraak maken op affectieschade.

Tevens heeft appellant 4 een schadevergoeding gevorderd op grond van art. 6:106 lid 1 aanhef onder b BW omdat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Het hof oordeelt dat verdriet om letsel of overlijden van een naaste, hoe groot ook, niet aangemerkt kan worden als aantasting van de persoon in de zin van art. 6:106 lid 1 aanhef onder b BW. Ook stelt het hof dat appellant 4 geen aanspraak kan maken op shockschade, omdat zij het gehavende lichaam en de verwondingen van het slachtoffer niet (kort) na het misdrijf heeft waargenomen. Er is om die rede niet voldaan aan het confrontatievereiste. Appellant 4 is dus geen enige vorm van schadevergoeding toegekend geworden.