ECLI:NL:GHSHE:2020:3896 (Vernietiging navorderingsaanslag Belastingdienst van 19,5 miljoen euro)

Hof Den Bosch 31 december 2020, Vernietiging navorderingsaanslag Belastingdienst van 19.5 miljoen euro
(http://ECLI:NL:GHSHE:2020:3896)

Essentie

In dit arrest oordeelt het Gerechtshof Den Bosch dat een bedrijf een aanslag van 19,5 miljoen euro niet hoeft te betalen aan de Belastingdienst. Een ambtenaar die bij de Belastingdienst werkte, heeft het systeem dusdanig gemanipuleerd dat daarin kwam te staan dat het bedrijf recht had op teruggave van bovenstaand bedrag. Dit werd overgemaakt naar het bedrijf.

Rechtsregel

Het hof gaat er van uit dat de bestuurder van het bedrijf niets wist van de betaling van 19.500.000,- euro van de bankrekening van de Belastingdienst op de bankrekening van het bedrijf, van de totstandkoming van de daaraan ten grondslag liggende verminderingsbeschikking en van de doorbetaling van het hele geldbedrag op de Turkse bankrekening van derden. De gedragingen van de schoonzus van de bestuurder, tevens werknemer,  kunnen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als gedragingen van een belanghebbende. Het handelen en de wetenschap van de frauderende belastingambtenaar moet aan de inspecteur worden toegerekend. Onder deze omstandigheden verzetten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich ertegen dat de onterecht verleende vermindering van belanghebbende wordt nagevorderd.

Inhoud

De verdachte werkte ruim dertig jaar bij de Belastingdienst en was daardoor een specialist die de processen kende. Eind mei 2014 heeft de verdachte fraude gepleegd door een teruggave vennootschapsbelasting op te voeren in het systeem onder de naam van een collega. De lijst waarop alle hoge teruggaven worden vermeld werd een week later door het systeem opgeslagen. Deze lijst wordt normaal gecontroleerd door een andere medewerker dan de medewerker die de betalingsopdrachten hebben gegeven. Zo wordt voldaan aan het vierogenprincipe: degene die de opdracht uitvoert, is niet degene die de lijst controleert. Omdat de verdachte de opdracht onder een andere naam had uitgevoerd, kon hij het vierogenprincipe echter vermijden. Op de lijst stonden geen betalingsopdrachten onder zijn naam, daarom kon hij de lijst goedkeuren.

Half juni is het geld uitgekeerd aan de bv van een medeverdachte en daarna doorgeboekt naar twee Turkse bankrekeningen die op naam staan van een derde verdachte. De Nederlandse bank die de laatste betalingsopdrachten verwerkte, had twijfels over deze boekingen en heeft een week na de verdachte overboekingen naar het buitenland contact opgenomen met het Anti Money Laundering Centre van de Belastingdienst/FIOD. De FIOD heeft daarop een onderzoek ingesteld en de verdachte aangehouden. Naderhand is ook de tweede verdachte aangehouden.

De inspecteur heeft gesteld dat hij bestrijdt dat belanghebbende geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de totstandkoming van de verminderingsbeschikking en de storting van het geldbedrag op de bankrekening van belanghebbende en de doorboeking van nagenoeg het gehele bedrag.

De vraag die rijst, is of de frauduleuze handelingen voor zover deze zijn verricht door de schoonzus in het maatschappelijke verkeer kunnen worden aangemerkt als gedragingen van belanghebbende. De schoonzus was in loondienst werkzaam bij belanghebbende. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord, kan de betrokkenheid van belanghebbende bij de frauduleuze handelingen niet worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof moet die vraag echter ontkennend worden beantwoord. De gedragingen van de schoonzus gaan de perken van een behoorlijke vervulling van aan haar opgedragen administratieve taken te buiten. Daarom en omdat de hier bedoelde frauduleuze gedragingen van de schoonzus volledig buiten de bestuurder van belanghebbende zijn verricht, kunnen zij niet als gedragingen van belanghebbende worden aangemerkt.

Het handelen van de inspecteur kan als niet anders worden aangemerkt dan ernstig indruisend tegen wat van een behoorlijke handelende overheid mag worden verwacht. Daarmee is sprake van een ernstige schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, waaronder begrepen het beginsel van fair play, alsmede van een schending van het verbod van détournement de pouvoir en van het evenredigheidsbeginsel dat navordering achterwege moet blijven. De navorderingsaanslag dient te worden vernietigd.