ECLI:NL:GHSHE:2019:3263 (Tegenstrijdig belang en Bibolini-exceptie stichting)

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 3 september 2019, Tegenstrijdig belang en Bibolini-exceptie stichting
(ECLI:NL:GHSHE:2019:3263)

Essentie

In deze zaak doet de vraag zich voor of sprake is van een tegenstrijdig belang bij de bestuurder van een stichting en of dit tegenstrijdige belang externe werking heeft en dus kan worden tegengeworpen aan een derde. Bij de beoordeling hiervan wordt gebruik gemaakt van de Bibolini-exceptie.

Rechtsregel

Bij de vraag of een rechtspersoon zich op een bevoegdheidsbeperking jegens derden kan beroepen, maakt het in beginsel geen verschil of degene die met de rechtspersoon handelde van deze interne bevoegdheidsbeperking op de hoogte was. Wel kan het zich voordoen dat in de omstandigheden van het gegeven geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat degene die met de rechtspersoon handelde, de rechtspersoon aan de met deze gesloten overeenkomst houdt, indien hij ondanks de hem bekende bevoegdheidsbeperking toch deze overeenkomst aanging (Bibolini).

Inhoud arrest

Deze zaak draait om een woningstichting en haar bestuurders. De vader is van 1994 tot 2007 statutair bestuurder geweest van de stichting. In juni 2007 neemt zijn zoon zijn positie over. De zoon was voorheen bij de stichting werkzaam op grond van een arbeidsovereenkomst. Op basis van een overeenkomst van opdracht is de vader betrokken gebleven bij de stichting.

Op een bepaald moment is aan het licht gekomen dat vader en zoon goed voor zichzelf hebben gezorgd. Uit het vonnis in eerste aanleg blijkt onder meer dat de zoon gedurende zijn tijd als bestuurder maar liefst EUR 17.500 aan wijn heeft uitgegeven, bijna EUR 2.000 aan telefoonkosten en ruim EUR 60.000 aan diners en lunches.

Bovendien heeft de zoon, toen hij eenmaal bestuurder was, zijn vader ingehuurd voor verschillende projecten. Een van die projecten was een groot bouwproject. De raad van toezicht van de stichting had toestemming gegeven de vader in te huren tegen een uurtarief van EUR 70, met een maximum van twintig uur per week. De zoon gaat echter akkoord met een offerte van zijn vader voor de “directievoering” van het project, tegen een vast bedrag ter hoogte van 3,5% van de projectwaarde. Dit mondt uit in een veel hoger bedrag dan waar de raad van toezicht mee akkoord is gegaan. De vraag rijst of de zoon bevoegd was het afgesproken uurtarief te wijzigen voor de 3,5%-afspraak, zonder dat de raad van toezicht hiervan op de hoogte was gesteld.

De rechtbank overweegt in eerste aanleg dat de zoon niet bevoegd was het aanvankelijk afgesproken uurtarief te wijzigen. Tussen vader en zoon bestaat immers een bloedverwantschap, waardoor sprake is van een tegenstrijdig belang in de zin van artikel 10 lid 2 van de destijds geldende statuten van de stichting. Overigens was ook de in 2005 gesloten arbeidsovereenkomst tussen vader en zoon, waarin een hoger maandsalaris was opgenomen dan door de raad van toezicht was goedgekeurd, in strijd met artikel 10 lid 2 van de statuten. Het te hoge salaris van de zoon moet eveneens terug worden betaald aan de stichting. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vader veroordeelt tot terugbetaling van ruim EUR 230.000.

In hoger beroep stelt de vader dat er geen sprake was van een tegenstrijdig belang bij zijn zoon. Ook al zou er wel sprake zijn van een tegenstrijdig belang, dan zou een eventuele vertegenwoordigingsbeperking niet aan hem (de vader) kunnen worden tegengeworpen. Immers vloeit een vertegenwoordigingsbeperking op grond van een tegenstrijdig belang niet uit de wet voort.

Het hof oordeelt dat wel degelijk sprake is geweest van een tegenstrijdig belang bij de zoon bij het aangaan van de gewijzigde tariefafspraak met zijn vader. Daarbij verwijst het naar artikel 2:256 (oud) BW en het Bruil-arrest. De zoon was op grond van de statuten daarom niet bevoegd de stichting te vertegenwoordigen.

Vervolgens rijst de vraag of de stichting deze bevoegdheidsbeperking aan de vader kan tegenwerpen. Deze vraag beantwoordt het hof aan de hand van het Bibolini-arrest, waaruit volgt dat het in beginsel geen verschil maakt of degene die met een rechtspersoon handelde, van een interne bevoegdheidsbeperking op de hoogte was, maar dat diegene zich onder omstandigheden in strijd met de goede trouw (thans redelijkheid en billijkheid)[1] zou gedragen door de rechtspersoon aan de met deze gesloten overeenkomst te houden.[2] Hiervoor is echter meer nodig dan alleen de wetenschap van de interne bevoegdheidsbeperking.[3] Voorbeelden van omstandigheden zijn volgens Maeijer in zijn noot bij het Bibolini-arrest onder meer bijzondere nadeligheid van de transactie voor de rechtspersoon en samenspanning met de bestuurder.[4]

Het hof oordeelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de stichting zich op grond van artikel 2:292 lid 3 BW niet zou kunnen beroepen op het vertegenwoordigingsgebrek bij het aangaan van de gewijzigde tariefaanspraak, zodat de stichting het gebrek wel aan de vader kan tegenwerpen. Het gevolg hiervan is dat er tussen de stichting en de vader geen overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het tarief van 3,5% van de aanneemsom. Daarnaast oordeelt het hof dat de vader de schade van de stichting ten aanzien van het teveel betaalde salaris aan zijn zoon dient te vergoeden op grond van artikel 2:9 BW.

[1] M.J. Kroeze, L. Timmerman & J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 150.

[2] HR 17 december 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4503, NJ 1983/480, m.nt. J.M.M. Maeijer (Bibolini), r.o. 3.3.

[3] T.P. van Duuren, ‘Tegenstrijdig belang en vertegenwoordiging’, WPNR 2017/7173, p. 972.

[4] HR 17 december 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4503, NJ 1983/480, m.nt. J.M.M. Maeijer (Bibolini), paragraaf 3.