ECLI:NL:GHSHE:2019:285 (Gebruik van heimelijke geluidsopnamen als bewijs in een civiele zaak)

Gerechtshof ’s Hertogenbosch 29 januari 2019, Gebruik van heimelijke geluidsopnamen als bewijs in een civiele zaak
(ECLI:NL:GHSHE:2019:285)

Essentie
Een man krijgt ruzie met de stiefdochter van een van zijn broers. Deze ruzie loopt zodanig uit de hand, dat deze uitmondt in een vechtpartij. De man doet aangifte en eist een schadevergoeding. Veel dingen zijn onduidelijk over de vechtpartij. De stiefvader van de verdachte weigert een verklaring af te leggen en doet een beroep op zijn verschoningsrecht, omdat hij familie is van de gedaagde. De eiser besluit om stiekem een gesprek op te nemen met zijn broer en gebruikt deze opnamen als bewijs in de procedure.

Rechtsregel
De vraag die in deze uitspraak centraal staat, luidt: ‘Mag je stiekem opgenomen geluidsfragmenten als bewijs gebruiken?’ Het uitgangspunt bij een civiele procedure is dat elk bewijsmiddel mag worden gebruikt. Het belang bij waarheidsvinding weegt in beginsel zwaarder dan het belang van uitsluiting van onrechtmatig bewijs. Slechts in bijzondere omstandigheden is dit anders. In casu is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat de getuige zich op zijn verschoningsrecht mocht beroepen, als zijnde een familielid. Dit betekent echter niet dat hij hoeft te getuigen. De eiser wist dat zijn broer niet wilde getuigen. Het hof oordeelt in dezen dat de wetgever specifiek en bewust het verschoningsrecht heeft toegekend aan familieleden.

Inhoud arrest
In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de betreffende geluidsopnamen niet worden toegelaten tot het bewijs, omdat stiefvader een beroep heeft gedaan op het verschoningsrecht. Het gesprek is opgenomen zonder medeweten en instemming van de betrokkene. Er is dus sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

In hoger beroep is aangevoerd dat de opnamen wel rechtmatig zijn verkregen en toegelaten dienen te worden tot het bewijs. Het hof bereikt de tussenconclusie dat het bewijs dat mogelijk in de geluidsopnamen besloten ligt, onrechtmatig is verkregen. Moet het bewijs dan ook in hoger beroep worden uitgesloten? Art. 152 Rv bepaalt dat de waardering van het bewijs aan de rechter moet worden overgelaten. Deze mag alleen in bijkomende omstandigheden besluiten tot terzijdelegging van bewijs.

“Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijkomende omstandigheden die terzijdelegging van het bewijs rechtvaardigen, moet het belang van de waarheidsvinding worden afgewogen tegen het belang van (het niet honoreren of voorkomen van) een normschending of een rechtsinbreuk, derhalve het belang van een zindelijke, rechtens verantwoorde bewijsgaring.” In deze zaak is het van belang dat de regel die dreigt te worden geschonden wanneer de heimelijke geluidsopnamen als bewijsmiddel worden toegelaten, het verschoningsrecht is. De wetgever heeft ten aanzien van dit recht in art. 165 Rv bepaald dat het zodanig zwaar weegt, dat het belang van de waarheidsvinding hiervoor moet wijken. Omdat de wetgever zelf deze afweging heeft gemaakt, komt het hof tot het oordeel dat het verschoningsrecht van de stiefvader zwaarder moet wegen dan het belang van waarheidsvinding. Dit maakt dat er kan worden gesproken van een bijzondere omstandigheid waardoor de terzijdelegging van de heimelijke opnamen kan worden gerechtvaardigd.