ECLI:NL:GHSHE:2014:4936 (PIP-borstimplantaten)

PIP-borstimplantaten, Hof ’s-Hertogenbosch van 25 november 2014
(ECLI:NL:GHSHE:2014:4936)

Essentie
Het onderhavige arrest is het eerste arrest waarin geoordeeld is dat een zorgkliniek aansprakelijk is voor een gebrekkige medische hulpzaak op grond van art. 6:77 BW.

Rechtsregel
Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die daardoor ontstaat de schuldenaar ingevolge art. 6:77 BW toegerekend, tenzij dit, gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn. Het standpunt van de wetgever was te zijner tijd dat deze vorm van aansprakelijkheid bij hulpverleners zeer terughoudend moet worden toegepast. De wetgever is van mening dat in het geval dat hulpverleners een zodanige zorg in acht hebben genomen, terwijl sprake blijkt te zijn van een ongeschikte hulpzaak die door een producent in het verkeer is gebracht, aansprakelijkheid van de producent in de eerste plaats voor de hand ligt. Toch kan het onder bepaalde omstandigheden redelijk zijn om de hulpverlener aansprakelijk te houden op grond van art. 6:77 BW. De omstandigheden die een rol speelden bij dit oordeel, waren onder andere dat de producent frauduleus heeft gehandeld door een ongeschikte silicone gel te gebruiken en dat de producent inmiddels failliet was en dus geen verhaal bood voor de benadeelde patiënt. Ook komen uit de literatuur steeds meer meningen en argumenten naar voren die betogen dat hulpverleners in moeten staan voor ongeschikte medische hulpmiddelen op grond van art. 6:77 BW.

Inhoud arrest
Een patiënt onderging in 2001 in het Boerhaave Medisch Centrum een borstvergroting, waarbij implantaten werden geplaatst van het Franse bedrijf Poly Implant Prothèse (PIP). In 2009 bleek dat er sprake was van een uitgebreide silicone lekkage bij beide implantaten. De patiënt heeft als gevolg hiervan schade geleden en spreekt het Medisch Centrum aan tot vergoeding. De patiënt baseert deze vordering tot schadevergoeding op verschillende gronden. Primair wordt er een beroep op gedaan dat de implantaten gebrekkig waren en dat sprake is van een consumentenkoop, subsidiair wordt gesteld dat de implantaten non-conform zijn en niet aan de overeenkomst voldoen, meer subsidiair dat Boerhaave verantwoordelijk is voor het gehele medisch handelen van een arts, en tot slot dat niet voldaan is aan de informatieplicht die op de hulpverlener rust.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding afgewezen, omdat naar haar oordeel onvoldoende is onderbouwd dat de gebruikte implantaten ondeugdelijk zijn. De rechtbank gaat niet in op de vraag op welke wettelijke grondslag de casus moet worden beoordeeld. Het hof is daarentegen van mening dat een consumentenkoopovereenkomst een ondeugdelijke grondslag is voor de ingestelde vordering. De patiënt heeft geen borstimplantaten gekocht, maar met het Medisch Centrum een geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:446 BW gesloten. In het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst kan het bepaalde in art. 6:77 BW over aansprakelijkheid voor ongeschikte hulpzaken een rol spelen. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Als er bij de patiënt borstimplantaten met industriële gel zijn geplaatst, dan is er sprake van ongeschiktheid in de zin art. 6:77 BW, ook als niet is aangetoond dat deze gel schadelijk of toxisch is. Er is immers gebleken dat industriële gel beslist niet bedoeld is voor lichamelijke toepassing. Het Medisch Centrum verweert zich met de stelling dat de ongeschiktheid van de borstimplantaten haar niet kan worden toegerekend en verwijst naar de Parlementaire Geschiedenis waaruit blijkt dat aansprakelijkheid van hulpverleners immers niet voor de hand ligt. Het is niet redelijk om een fabricagefout van een hulpmiddel aan een hulpverlener toe te rekenen. Het hof gaat hier niet in mee en oordeelt dat het in dit geval wel redelijk is dat de geleden schade voor rekening van de hulpverlener komt op grond van art. 6:77 BW. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de producent failliet was en dus geen verhaal bood voor de benadeelde patiënt, dat de hulpverlener degene was die de keuze voor deze borstimplantaten heeft gemaakt en de omstandigheid dat het niet gaat om een hulpzaak die door een gebrek in dit éne exemplaar één keer faalt, maar dat het gaat om een hele serie ondeugdelijke producten waarbij de producent frauduleus heeft gehandeld door een ongeschikte silicone gel te gebruiken.