ECLI:NL:GHDHA:2024:31 (Ontslag na strafrechtelijke verdenking)

Gerechtshof Den Haag 23 januari 2024, Ontslag na strafrechtelijke verdenking
(ECLI:NL:GHDHA:2024:31)

Essentie

In dit arrest gaat het over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:669 lid 3 sub e BW in verband met een strafrechtelijke verdenking.

Rechtsregel

Verzoekers betrokkenheid bij drugssmokkel is vast komen te staan. Dit betekent dat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat de werkgever gerechtvaardigd de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van art. 7:669 lid 3 sub e BW. Verder is van belang dat, ook al is verzoeker strafrechtelijk nog niet veroordeeld voor drugssmokkel, dit nog niet betekent dat datgene in deze procedure niet vast kan komen te staan. De burgerlijke rechter is niet afhankelijk van het oordeel van de strafrechter.

Inhoud arrest

Feiten

ECT is een logistieke dienstverlener in Rotterdam. Verzoeker is sinds 2008 in dienst bij ECT. ECT heeft een AEO-status. Dit houdt in dat zij nauw samenwerkt met de douane. ECT hoeft zich niet te houden aan bepaalde douaneformaliteiten, maar dit betekent dat zij streng op moet treden bij constatering van drugscriminaliteit. Op 31 mei heeft de politie verzoeker aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne tijdens zijn werkuren op 2 maart. De partij cocaïne bevond zich namelijk in een container op het terrein van ECT. Ook heeft verzoeker thuis meer dan twintigduizend euro aan contant geld liggen. Verzoeker had ook nog veertig xtc-pillen thuis liggen. Na afloop van zijn dienst van 2 maart heeft verzoeker zich ziek gemeld. Pas vanaf april is hij weer gedeeltelijk gaan werken. Verzoeker is door de politie meerdere keren gehoord, maar iedere keer heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. ECT heeft verzoeker een brief gestuurd dat voor de duur dat verzoeker in bewaring is gesteld, zijn salaris wordt stopgezet en dat als hij zich na het vrijlaten bij ECT zou melden, hij op non-actief zou worden gesteld. ECT heeft in augustus aangifte gedaan tegen verzoeker wegens corruptie.

Op 20 september heeft verzoeker zich bij ECT gemeld en medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden wilde hervatten. Verzoeker werd door ECT op non-actief gesteld met behoud van zijn salaris. Op 12 oktober heeft een gesprek plaatsgevonden tussen ECT en verzoeker. In dit gesprek geeft verzoeker aan dat hij niks te maken heeft met de feiten waarvan hij verdacht wordt. ECT heeft vervolgens toch aan verzoeker medegedeeld dat het een ontbindingsverzoek zou indienen en dat verzoeker op non-actief blijft tot de uitspraak van de kantonrechter.

Beoordeling

ECT voert voor het ontbindingsverzoek de e-grond aan, art. 7:669 lid 3 BW. Verzoeker zou ernstig verwijtbaar hebben gehandeld door zijn positie als werknemer te misbruiken, door containers te verplaatsen en daardoor criminele derden de gelegenheid te bieden drugs het land in te smokkelen. Ook heeft verzoeker ernstig verwijtbaar gehandeld door niet mee te werken aan het politieonderzoek dat kan leiden tot oplossing van de zaak.

Het hof oordeelt dat verzoeker de aan hem verweten gedragingen onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en dat er dus van uit kan worden gegaan dat verzoeker betrokken is geweest bij invoer van cocaïne op het terrein van ECT. Het hof heeft dat afgeleid uit het volgende. Verzoeker is aangehouden vanwege de verdenking van betrokkenheid bij drugssmokkel. Ook wordt verzoeker ervan verdacht al eerder betrokken te zijn geweest bij drugssmokkel. Uit stukken van ECT en het OM kan worden afgeleid dat bij de drugssmokkel is gewerkt volgens de ‘switchmethode’. De container met de drugs wordt in de buurt van een ‘veilige’ container geplaatst. Staan de twee containers dicht bij elkaar, dan worden deze door de criminelen opengeknipt en worden de drugs verplaatst naar de ‘veilige’ container. Zo wordt controle door de douane voorkomen.

In de bewuste nachtdienst heeft verzoeker vanaf zijn werkaccount handelingen verricht met betrekking tot het verplaatsen van drie containers. Ook zijn er die bewuste nachtdienst nog 48 andere handelingen verricht met betrekking tot de drugscontainer en de switchcontainer vanaf het werkaccount van verzoeker. Verzoeker heeft deze handelingen niet betwist. Ook heeft verzoeker verklaard dat hij de hele nacht op zijn werkplek heeft gezeten en maar een aantal keer even van zijn plek is geweest. Vanaf het account van verzoeker zijn alleen maar handelingen verricht met betrekking tot de drugscontainers. Verder verklaarde verzoeker dat werknemers van de ICT-afdeling ook toegang hebben tot zijn werkaccount. Dit heeft ECT echter gemotiveerd betwist, omdat verzoeker dan eerst toestemming had moeten geven aan de werknemer van de ICT-afdeling om in zijn account te kunnen. Dit alles leidt ertoe dat de door ECT aan verzoeker verweten gedragingen onvoldoende door verzoeker zijn betwist en dat dus vaststaat in deze procedure dat verzoeker betrokken is geweest bij drugssmokkel.

Ook is nog vastgesteld dat uit de systeemregistratie precies blijkt dat de werkzaamheden door verzoeker zelf op zijn eigen werkplek zijn verricht. Verzoeker is strafrechtelijk nog niet veroordeeld voor drugssmokkel, maar dat betekent nog niet dat in deze procedure niet vast kan komen te staan op grond waarvan de arbeidsovereenkomst ontbonden kan worden. De burgerlijke rechter is niet afhankelijk van het oordeel van de strafrechter. Het staat dus vast dat verzoeker betrokken is geweest bij de drugssmokkel. Dit betekent dat het handelen van verzoeker zodanig verwijtbaar is dat in redelijkheid van de werkgever (ECT) niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook ligt herplaatsing niet in de rede, omdat het handelen van verzoeker ernstig verwijtbaar is en zijn betrouwbaarheid is beschadigd. Ook heeft verzoeker geen recht op een transitievergoeding, omdat ECT niet verwijtbaar heeft gehandeld. De arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en ECT wordt dus ontbonden.