ECLI:NL:GHDHA:2023:2469 (Uitlevering aan Rwanda een schending van fundamentele rechten?)

Gerechtshof Den Haag, 19-12-2023, Zou de uitlevering aan Rwanda voor strafrechtelijke vervolging voor de Rwandese genocide zorgen voor een schending van fundamentele rechten? 

Essentie

De rechtsvraag die in dit arrest centraal staat is: zouden er in casu fundamentele rechten worden geschonden bij de uitlevering aan Rwanda voor de strafrechtelijke vervolging van de Rwandese genocide?

Rechtsregel

Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat er in casu fundamentele rechten worden geschonden en verbiedt daarom de Staat om appellant uit te leveren aan Rwanda.

Inhoud

De Rwandese autoriteiten hebben verzocht om de appellant uit te leveren aan Rwanda, zodat de appellant strafrechtelijk kan worden vervolgd voor de Rwandese genocide in 1994. Voorafgaand aan dit kort geding bij het gerechtshof Den Haag heeft de voorzieningenrechter over deze zaak geoordeeld. De voorzieningenrechter oordeelde  dat de appellant uitgeleverd moet worden aan Rwanda. Deze keuze is gemaakt op basis van de Rwandese Transfer Law en garanties. De appellant heeft primair als vordering bij de voorzieningenrechter een verbod tot uitlevering. Subsidiair heeft appellant een verbod tot uitlevering zonder concrete garanties gevorderd.

Reëel risico?

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen reëel risico is dat de gegeven garanties en de Transfer Law niet worden nageleefd. Daarnaast is er door de voorzieningenrechter geoordeeld dat het niet algemeen bekend is dat de appellant een politiek opponent was van het huidige regime. Ten derde is geoordeeld dat internationale rechtsbijstand geen vereiste is voor een eerlijk proces. Als laatste vond de voorzieningenrechter dat het onvoldoende aannemelijk is dat er geen effectief rechtsmiddel is om aan te wenden bij schending van fundamentele rechten. Voor deze conclusies zijn er garanties gedaan door Rwanda. De appellant is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Grieven

Er zijn in hoger beroep zes grieven ingediend die het vonnis van de voorzieningenrechter bestrijden. In de grieven één en twee worden het aannemelijke risico voor de inbreuk op art. 6 EVRM en het gebrek aan een effectief rechtsmiddel bij de schending van mensenrechten beargumenteerd. In grief drie wordt daarnaast ook speciaal ingegaan op de aannemelijkheid van de schending van art. 2 & 3 EVRM.Het gerechtshof heeft het vertrouwensbeginsel in acht genomen. Dit betekent dat ervan wordt uitgegaan dat er kan worden vertrouwd dat de rechten niet zullen worden geschaad door de verzoekende staat. Er is gekeken door de rechters naar de ‘flagrant denial of justices’, waarbij wordt gekeken of de zaak in het geheel eerlijk is verlopen. Een uitlevering kan niet worden verboden op de mensenrechtensituatie alleen. Daarnaast heeft het gerechtshof heeft ook kennisgenomen van nieuw bewijs, feiten en omstandigheden.

Conclusie

De conclusie van het gerechtshof is ten eerste dat politieke tegenstanders risico’s lopen op een oneerlijk proces.  Ook vindt het hof dat appellant een bekende politieke tegenstander was. Dit betekent dat hij een reëel risico loopt op een oneerlijk proces. Deze conclusie is getrokken op basis van jurisprudentie en bronnen van mensenrechtenorganisaties. Monitoring van het proces wordt door het hof als niet afdoende waarborg geacht.

Ten tweede zijn de aan te wenden rechtsmiddelen onvoldoende bij de schending van mensenrechten. Dit is geconcludeerd op basis van de huidige aan te wenden rechtsmiddelen. Met deze conclusies vernietigt het gerechtshof het vonnis van de voorzieningenrechter. Ook verbiedt het de Staat om appellant uit te leveren aan Rwanda.