ECLI:NL:GHDHA:2022:114 (Aansprakelijkheid voor diefstal van goederen uit een opslagloods)

Gerechtshof Den Haag, 25 januari 2022, Aansprakelijkheid voor diefstal van goederen uit een opslagloods (ECLI:NL:GHDHA:2022:114)

Essentie

In deze zaak is een partij metaal (molybdenum) ontvreemd uit een opslagloods. De eigenaar van deze partij zou hierdoor schade hebben geleden. De schade is vergoed door de verzekeraars. De vraag is of Baloise, al dan niet als gevolgmachtigde van de (andere) verzekeraars, op grond van subrogatie de schade op de eigenaar van de opslagloods kan verhalen.

Het hof zal in deze zaak toelichten dat en om welke redenen (i) de Fenex-voorwaarden op de contractuele relatie tussen Estron en Climax van toepassing zijn; (ii) Traxys, en daarmee ook Baloise, de Fenex-voorwaarden tegen zich moet laten gelden; en (iii) het beroep van Estron op de vervaltermijn als bedoeld in artikel 21 van de Fenex-voorwaarden slaagt.

Rechtsregel

In een geval als dit, waarin de toepasselijkheid van twee sets algemene voorwaarden is bedongen en aanvaard, bestaat er geen aanleiding om beide sets algemene voorwaarden buiten toepassing te laten. De algemene voorwaarden moeten dan naast elkaar worden toegepast.

Verder komt het bij de uitleg van een overeenkomst aan op de vraag hoe in de gegeven omstandigheden partijen over en weer elkaars verklaringen en gedragingen mochten begrijpen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Tot slot dient artikel 6:248 lid 2 BW met terughoudendheid te worden toegepast.

Inhoud uitspraak

In deze zaak is een partij metaal (molybdenum) ontvreemd uit een opslagloods. De eigenaar van deze partij zou hierdoor schade hebben geleden. De schade is vergoed door de verzekeraars. De vraag hier is of Baloise, al dan niet als gevolgmachtigde van de (andere) verzekeraars, op grond van subrogatie de schade op de eigenaar van de opslagloods kan verhalen.

In 2011 heeft Climax 48 big bags met elk 1.000 kilogram molybdenum (hierna: de big bags) in opslag gegeven aan Estron. De big bags waren eigendom van Traxys Europe S.A. (hierna: Traxys), gevestigd te Luxemburg. De big bags zijn destijds in de loods van Estron te Rotterdam-Botlek opgeslagen. De big bags zijn op enig moment door Climax vrijgesteld aan Traxys.

In september 2011 heeft Estron per e-mail aan Traxys laten weten dat de big bags vermist zijn. Enkele dagen later heeft Estron aangifte gedaan bij de politie van diefstal van de big bags. In mei 2013 heeft de advocaat van Estron een e-mail gestuurd aan de advocaat van Baloise met daarin een verwijzing naar de aansprakelijkstelling en vervaltermijn.

Het hof heeft in het midden gelaten of, en zo ja voor welk deel van haar vordering, Baloise vorderingsgerechtigd is. Ook wanneer Baloise (voor een gedeelte) vorderingsgerechtigd is, kan de vordering niet worden toegewezen omdat een eventuele vordering op Estron naar het oordeel van het hof op grond van artikel 21 lid 2 van de Fenex-voorwaarden is vervallen. Het hof zal hierna toelichten dat en om welke redenen (i) de Fenex-voorwaarden op de contractuele relatie tussen Estron en Climax van toepassing zijn; (ii) Traxys, en daarmee ook Baloise, de Fenex-voorwaarden tegen zich moet laten gelden; en (iii) het beroep van Estron op de vervaltermijn als bedoeld in artikel 21 van de Fenex-voorwaarden slaagt.

i) Het hof overweegt dat er in een geval als dit, waarin de toepasselijkheid van twee sets algemene voorwaarden is bedongen en aanvaard, geen aanleiding bestaat om beide sets algemene voorwaarden buiten toepassing te laten. De algemene voorwaarden moeten dan naast elkaar worden toegepast. Voor zover sprake is van onderling onverenigbare bedingen dient door uitleg van de overeenkomst te worden vastgesteld welke van die bedingen prevaleert. Aan een dergelijke beoordeling komt het hof echter niet toe. Baloise heeft namelijk niet gesteld welke concrete bepalingen van de Fenex-voorwaarden onverenigbaar zijn met de in de opslagbranche gebruikelijke voorwaarden. Het hof komt aldus tot het oordeel dat de Fenex-voorwaarden van toepassing waren op de overeenkomst tussen Estron en Climax.

ii) Het hof overweegt dat het bij de uitleg van een overeenkomst aankomt op de vraag hoe in de gegeven omstandigheden partijen over en weer elkaars verklaringen en gedragingen mochten begrijpen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat in dit geval om twee professionele partijen die zich door juridisch adviseurs hebben laten bijstaan. Het mag daarom verondersteld worden dat partijen bekend zijn geweest met het verschil tussen een verjarings- en een vervaltermijn. Namens Baloise is op geen enkel moment expliciet aan Estron gevraagd om een verlenging van de vervaltermijn. Daarbij komt dat een vordering op grond van artikel 21 lid 1 van de Fenex-voorwaarden verjaart na verloop van 9 maanden, terwijl de vervaltermijn volgens artikel 21 lid 2 van de Fenex-voorwaarden 18 maanden bedraagt, zodat deze termijnen op verschillende momenten verstrijken. Baloise heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die, gelet op het voorgaande, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat zij de instemming van Estron met een verlenging van de verjaringstermijn redelijkerwijze ook mocht begrijpen als een instemming met het verlengen van de vervaltermijn. Het hof verwerpt aldus het betoog dat met het verlengen van de verjaringstermijn ook de vervaltermijn is verlengd.

iii) Het hof overweegt dat artikel 6:248 lid 2 BW met terughoudendheid moet  worden toegepast. De zaak betreft een geschil tussen twee professionele partijen die zich door juridisch adviseurs hebben laten bijstaan. Bovendien volgt uit de stukken dat Estron zich reeds op 13 september 2011, dus vrijwel onmiddellijk na het ontdekken van de vermissing, op de toepasselijkheid van de Fenexvoorwaarden heeft beroepen. De door Baloise aangevoerde omstandigheden, die voornamelijk betrekking hebben op de diefstal en niet op het beroep op de vervaltermijn, leggen in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep van Estron op de vervaltermijn slaagt.