ECLI:NL:GHDHA:2021:1871 (Vrijspraak in coldcase)

Gerechtshof Den Haag, 4 oktober 2021, Vrijspraak in coldcase
(ECLI:NL:GHDHA:2021:1871)

Essentie

In een zogenoemde coldcase, waarbij er tijdens het vooronderzoek niet voldoende bewijs gevonden wordt om de zaak af te doen of er überhaupt geen verdachte gevonden wordt voor het gepleegde delict, heeft het gerechtshof Den Haag een Israëlische man vrijgesproken van de verdenking van moord. Het hof is van oordeel dat er een gebrek aan bewijs was omtrent het bestanddeel voorbedachte raad.

Rechtsvraag

De vraag in deze zaak is of de verdachte veroordeeld kan worden voor primair moord, impliciet subsidiair doodslag. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor moord en heeft aan de verdachte een gevangenisstraf van veertien jaren opgelegd. Het hof vernietigt dit vonnis en spreekt de verdachte vrij van moord, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van voorbedachte raad. Ten aanzien van de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag oordeelt het hof dat het OM niet-ontvankelijk is. Doodslag verjaart nu niet meer, maar op het moment dat de wet op dat punt gewijzigd werd, was de tenlastegelegde doodslag al verjaard en dat vervolgingsrecht herleeft niet.

Inhoud arrest

De verdachte wordt verweten het slachtoffer te hebben vermoord, door haar met een scherp voorwerp in de hals te steken. Het initiële onderzoek ving in oktober 1990 aan en eindigde eind 1992. Op dat moment was de technologie nog niet van zodanig niveau om het bewijs te verzamelen en de verdachte te vervolgen. Hierdoor werd de zaak een coldcase. Dit veranderde echter toen het DNA-onderzoek dat bij opsporingen werd gebruikt geavanceerder werd en zodoende ook meer bewijs in de reeds heropende zaak verzameld kon worden.

Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van moord moet komen vast te staan dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hier is naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sprake van als de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof stelt vervolgens vast dat er te weinig bekend is geworden over de feitelijke toedracht van het incident, zoals over de omstandigheden waaronder het dodelijk letsel is toegebracht en wat daaraan vooraf is gegaan. Hierdoor kan het hof niet vaststellen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van moord.

Impliciet subsidiair is doodslag tenlastegelegd. Het hof kan echter geen oordeel geven over de vraag of de verdachte zou zijn veroordeeld voor doodslag, omdat dit misdrijf is verjaard. Doodslag verjaart nu niet meer, maar op het moment dat de wet op dat punt gewijzigd werd, was de tenlastegelegde doodslag al verjaard en dat vervolgingsrecht herleeft niet. Het hof verklaart het OM dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van doodslag.